Pater Marcel VertonghenVertonghen Marcel copie

 

Geboren in Steenhuffel op 2 januari 1928

Religieuze geloften op 8 september 1947

Priester gewijd op 3 augustus 1952

Missionaris in Congo (Kasaï) en in België

Overleden in Sint-Pieters-Leeuw (Zuun) op 17 juni 2021, op 93-jarige leeftijd

 

Als ik kijk naar de hemel, het werk van uw vingers,
de maan en de sterren die Gij hebt bevestigd,
wat is dan de mens dat Gij aan hem denkt … (Ps. 8, 4-5a)

Pater Marcel Vertonghen is niet meer. Hij is zachtjes ingeslapen in het huis van Zuun, waar hij de laatste jaren van zijn lange leven heeft doorgebracht. Hij was een gelukkig man. Het straalde gewoon van hem af. Had hij meer reden dan een ander om gelukkig te zijn? Was hij meer begenadigd? Getalenteerd? Een leven lang in goeden doen en betere gezondheid? Waarschijnlijk niet. En hij zou dat zeker nooit van zichzelf hebben gezegd.

Een van zijn aforismen was: La mémoire est une faculté qui oublie. Die uitspraak heeft me lang geïntrigeerd. Hoe kan “vergeten” tot het wezen behoren van geheugen en herinnering? Eén ding was echter snel duidelijk. Die uitspraak typeerde hoe Marcel zelf in het leven en in het geloof stond: eenvoudig, bescheiden, met open oren en ogen, een gezonde kritische geest en met een sterk relativeringsvermogen.

Marcel was een eenvoudig man. Hij had dat van thuis uit meegekregen. Hij kende zijn plaats, maar was tegelijk fier op zijn afkomst, zijn ouders, familie, het land, de boerenstiel en Steenhuffel, zijn dorp. Hij is in wezen altijd een jongen uit Brabant gebleven.

Die eenvoud heeft zich met de jaren getooid met een kleed van grote bescheidenheid. Zijn priesterstudies had hij doorgemaakt in een preconciliaire Kerk, die zeker was van haar eigen gelijk, nogal triomfalistisch en dogmatisch. Verdere studies in geografie en natuurkunde zouden in hem het besef doen groeien dat niets vanzelfsprekend of absoluut zeker is en dat de mens maar een nietig wezen is in een kosmos die razendsnel uitdijt, het onzegbare, het onuitspreekbare tegemoet. Het vermoeden van dat mysterie heeft Marcel met schroom vervuld en met diep ontzag en eerbied. Daarvan kon hij getuigen voor de studenten in het college van Kananga en daarna nog ruim dertien jaar voor de jongeren in de vorming in onze studiehuizen.

In dit leven is niets absoluut. Alles is relatief. Wat vandaag zeker is, wordt morgen in vraag gesteld, verandert of muteert. Ook de mens, zijn denken en geloven ontloopt die werkelijkheid niet. Marcel was zich daarvan terdege bewust en wist daarom zichzelf erg goed te relativeren. Hij was niet bang om de zekerheden van het nu in vraag te stellen. En hij deed het met die verfijnde vorm van relativeren die humor heet. Er monkelde altijd toch die sympathieke, licht schalkse glimlach om zijn lippen.

Achter het wonder der natuur heeft Marcel altijd de hand van de Schepper gezocht. Die ontzagwekkende grootsheid wist hij toevertrouwd aan mensenhanden. Op dat raakpunt van hemel en aarde heeft hij die unieke mens ontmoet, Jezus van Nazareth, met wie hij een leven lang op weg is gegaan.

Dank, Marcel, voor wie je was, voor je mooie gedichten en liederen, je vormingswerk en animatie in onze huizen en je pastorale inzet.

Bart VAN THIELEN

 

 

 

Pater Hugo BalcaenBalcaen Hugo

 

Geboren in Ingooigem op 23 januari 1932

Religieuze geloften op 8 september 1953

Priester gewijd op 3 augustus 1958

Missionaris in Congo (Lisala) en in België

Overleden in Torhout op 18 januari 2021

 

Onlangs stapte hij nog voorovergebogen achter zijn rollator aan. Iedere morgen opnieuw deed hij dat, heel vroeg, en als eerste, door de gangen van ons huis. Hij ging de voordeur openen en dan de poort, daarna koffie maken EN ’s zondags zorgde hij voor zachtgekookte eieren. Hij was er niet gelukkig mee als er te veel eieren overbleven. Alles opgegeten, daar werd hij een tevreden man van. Confraters die dan al wakker waren, hoorden hem terugkeren en de deur van zijn kamer dichttrekken.

Dit alles was de lijn die Hugo nog wat aanhield. De lijn van vroeger die – voor zover wij konden zien – in Bobadi, maar misschien ook al veel eerder, was begonnen. De echte en de volle invulling was in Gbosasa gebeurd, daar had Hugo zijn dada gevonden. Hij hield er toezicht, bediende ook klanten – als het nodig was – en dat alles voor het goed functioneren van de beenhouwerij, een nevenbedrijf van de grote veestapel die er, in kuddes van wel honderd dieren, liep te grazen op tienduizend hectare magere weiden, in een eindeloze savanne.

Die veestapel genereerde financiën voor de bisdommen Lisala en Budjala. De beenhouwerij spijsde de kas van de parochie Gbosasa. Hugo telde dat allemaal op, in de afzonderlijke kolommen van zijn comptabiliteit, om jaarlijks rekenschap te geven op de vergadering van de bisschopsraad. Als hij daarheen reed, had hij zijn beste kleren aan. Ondertussen ging hij ook voor in de eucharistie op de parochie, met de collega’s om beurt, en bij de zusters en af en toe nog in een dorp in de omtrek, zoals hij het enkele jaren volop had gedaan in het begin van zijn missionarisleven als reispater in Bobadi.

Bij dat alles schoot Hugo zozeer en zo diep wortel – én bij de confraters waarmee hij samenleefde, én op de plaats waar hij woonde én met de vele werken en werkjes die hij daar deed –dat het een probleem werd als hij moest voelen dat er een verplaatsing of een andere benoeming in de lucht kwam hangen.

Meestal trokken die dan als mogelijkheden en als onweer ook voorbij, maar soms niet. En daar begon de man dan onder te lijden. Zozeer zelfs dat, als het op het eind van zijn leven plots wéér opdook, het onoverkomelijk scheen. Een mens heeft niet alles in de hand, zichzelf misschien nog het minst. En zo is de lijn voor Hugo, zijn lijn, tot op het eind ook echt verder doorgetrokken.

Hugo hield van gezelligheid, hij hield van mensen – in het bijzonder zijn familie – wie niet, maar bij hem was dit toch zeer uitgesproken en van méér dan één glas daarbij hield hij, zeker in zijn felle jaren, want die heeft hij ook gehad. Geïnteresseerd bleef hij tot op het laatst, in al wat reilde en zeilde in de groep missionarissen waarvan hij uitdrukkelijk deel uitmaakte. Zijn oogjes begonnen te glinsteren als hij zelf weer eens een primeur had en die bij beetjes losliet en vertelde. Hij die anders niet zo heel spraakzaam was. Iedereen keek daar dan van op. Ja, hij heeft deugd gehad van zijn lang leven. Vandaag zou hij 89 jaar geworden zijn. Leven ja, dat ook altijd weer getekend wordt door wat we liever niet zien, liever niet horen, liever niet voelen ook, maar het gebeurt wel allemaal, omdat wij samen mensen zijn, ook maar mensen. Het kan blijkbaar niet zonder dat. Uiteindelijk ook wel om de zin te bewaren naar meer en beter, ook daarvoor blijken wij gemaakt.

We hoorden het in het evangelie: gemaakt voor een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, de eerste hemel en de eerste aarde zijn dan voorbij. En ook de zee, dat betekent voor de bijbellezer: al wat ons als kwaad bedreigt. Wel, dat zal niet meer zijn. De tent van God staat dan bij ons mensen, met Hem in ons midden die alle tranen uit de ogen wist. De dood zal niet meer zijn – al het oude is dan voorbij. Het is dan, zoals geschreven staat: IK ZAL ER ZIJN, DAT IS MIJN NAAM.

Daarmee moeten wij het doen. Daarmee mogen wij doen, alles wat nog mogelijk is.

En Hugo, ja in zijn dapper spoor
naar Gods oneindig land laten wij lopen
hem achterna, die hoopte wat wij hopen:
hij is niet méér dan enkele stappen voor.
AMEN
(naar Anton van Wilderode)

 

Willy VANHAELEWYN

 

 

 

Pater Marcel DobbelaereDobbelaere Marcel

 

Geboren in Ledeberg op 8 februari 1935

Religieuze geloften op 8 september 1958

Priester gewijd op 4 augustus 1963

Missionaris in Haïti en in België

Overleden in Kortrijk op 10 januari 2021

 

“Voorwaar ik zeg je, al wat je gedaan hebt voor één van de minsten van mijn broeders en zusters, dat heb je ook voor Mij gedaan. Kom binnen in mijn Rijk.” (Matteüs 25, 40)

“Veel moed, Marcel, en God zegene en beware je”, zei ik tegen Marcel in mijn laatste contact per telefoon, de dag vóór hij werd opgenomen in de intensieve zorgen van het AZ Groeninge te Kortrijk. Hij antwoordde: “Dank je om mij te telefoneren. Zorg goed voor jezelf, Jozef.” Ik wist niet dat dit mijn afscheid van Marcel zou zijn.

We waren zeven jaar goede buren. Hij was aalmoezenier in het WZC in Eke en ikzelf in De Pinte. Wanneer de confraters – die van Oost-Vlaanderen afkomstig zijn, of daar pastoraal werk doen – viermaal per jaar samenkwamen, reed Marcel voor die samenkomsten steeds met mij mee naar Letterhoutem. Zo hadden we altijd aangename gesprekken. Toen hij in mei 2018 naar Kortrijk verhuisde, miste ik hem, maar gelukkig konden we elkaar terugzien op de eerste dinsdag van de maand, voor de recollecties in het huis van Scheut in Kortrijk. Maar dan kwam de COVID-19-crisis…

Marcel had zelf zijn uitvaartdienst goed voorbereid met gekozen en geschreven teksten, gebeden en lezingen voor zijn afscheidsliturgie en rouwprentje. Hij wilde dat het zo eenvoudig mogelijk zou zijn, hetgeen we hebben proberen naleven door zijn script te volgen.

Marcels eenvoud, nederigheid, vriendelijkheid, hartelijkheid, dienstbaarheid en dankbaarheid zijn enkele kwaliteiten waarvan de mensen, die hem gekend hebben in de plaatsen waar hij benoemd werd als missionaris van Scheut, kunnen getuigen.

“Wat je aan de minsten van de mijnen hebt gedaan, dat heb je ook aan Mij gedaan”, lezen we in Matteüs, hoofdstuk 25 vers 40. Marcel heeft geprobeerd om dat in Haïti in de praktijk te brengen – in de parochies van La Gonâve, Pignon, Mombin Crochu en Saintard – als administratief directeur van ATAAC en als econoom in Port-au-Prince, ten dienste van de confraters in Haïti. Later diende hij zijn confraters in België, als econoom in Schilde en als vice-rector in Zuun.

Ik heb verschillende keren gehoord van familieleden van bewoners van het WZC Lichtervelde in Eke hoe Marcel als aalmoezenier elke namiddag tijdens de week trouw kamerbezoeken deed. Hij luisterde naar de vreugden en pijnen van de mensen. Hij dronk koffie met hen in de cafetaria en zijn gulle glimlach en kwinkslagen waren welkom.

Marcel heeft kranig zijn ouderdomskwalen gedragen. Enkele jaren geleden werden zijn ogen steeds zwakker en daarom moest hij in 2018 stoppen met voor te gaan in de eucharistie voor de bewoners en de zusters in het WZC Lichtervelde. Dan kwam de verhuis naar het missiehuis van Scheut in Kortrijk en de uitdaging om zich aan te passen en te integreren in de West-Vlaamse cultuur…

Zijn roeping als religieus missionaris en priester heeft hij steeds gevoed met zijn diep gebedsleven. Ik herinner mij dat – tijdens de Ontmoetingsdagen CICM-BNL – ik hem dikwijls zag bidden in de kapel, nog vóór de confraters aankwamen voor het morgengebed.

Marcel heeft een mooi dankgebed geschreven voor zijn rouwprentje:

“Dank
aan de Heer mijn God die me steeds nabij was in alle omstandigheden, goede en minder goede.

Dank
aan u mijn confraters en aan allen die ik heb mogen kennen en ontmoeten, voor de blijvende genegenheid en verbondenheid.

Dank
aan u goede vrienden, dichtbij en veraf, voor uw vriendschap in liefde en trouw, zonder onderscheid van taal of kleur of stand.

Over de grens van het leven blijf ik met u allen verenigd bij de Heer onze God.

Amen.”

 

Jozef LAPAUW

 

 

 

Pater Lieven LagaLaga Lieven

 

Geboren in Kortrijk op 4 september 1937

Religieuze geloften op 8 september 1957

Priester gewijd op 5 augustus 1962

Missionaris in Haïti en in België

Overleden in Kortrijk op 7 januari 2021

 

 

In kleine kring nemen we afscheid van een ingoede, hartelijke, gastvrije confrater en een lief familielid. Hij zal het meest herinnerd worden als iemand die de armen graag zag en hen een warm hart toedroeg: elke mens was voor hem van tel, de meest berooide die aanklopte aan zijn deur, de zieke die hij bijstond… Voor Lieven was elke mens de moeite waard.

Het missie-avontuur is voor Lieven zeker begonnen in het gezin van vader Laga en moeder Hanssens. Hier werd de kiem gelegd van de warme mens die Lieven zou worden, met liefde voor het geloof en zin voor schoonheid. De vonk die oversprong om missionaris te worden moet zeker gelegen hebben in zijn collegetijd.

Zijn seminarietijd in Scheut was volop gekenmerkt door het Concilie, een tijd van grote verwachtingen die stilaan doordrongen naar Latijns-Amerika en later naar het eiland Haïti, met het document van Medellin. In normale tijden zouden we hier met velen gestaan hebben rond onze lieve klasgenoot en confrater, pè Laga, Lieven.

Lieven begon zijn zending in Haïti, in de uitgestrekte bergparochie Vallières. Een gebied zonder berijdbare wegen. De verafgelegen gemeenschappen konden enkel bereikt worden te paard of met de muilezel. Hij was er pastoor en beschikte over twee medepastoors. Lieven was er bekend als iemand die met iedereen in goede verstandhouding leefde en een luisterend oor had voor nieuwe initiatieven. Hij moedigde zijn collega’s aan om die dan ook te realiseren. Lieven was overal bekend als een uitstekend ruiter. Wie herinnert zich niet zijn paarden Mustang en Papillon. Hij fladderde door berg, dal en diepe ravijnen, op bezoek bij de christelijke gemeenschappen. Samen met hen las hij de Bijbel, het woord van God, het woord dat verkondigde dat het Rijk van God aanwezig was onder ons en dat een nieuwe wereld mogelijk was: een wereld van vergeving en verzoening, een wereld van delen en verdelen en een wereld van broederlijkheid en solidariteit. Een wereld van liefde waarvoor we ons samen moesten inzetten, om zo te komen tot een meer rechtvaardige en vredevolle maatschappij in Haïti. Zo leefde Lieven samen tussen die vele uitgebuite mensen, met hen zoekend naar de realisatie van de droom van God voor deze wereld. Hij organiseerde de gezondheidszorg, richtte scholen op. Velen die nooit de banken van de school gezien hadden, werden aangemoedigd om hun eigen realiteit te lezen en te schrijven. Ze werden bewustgemaakt van het belang van de alfabetisering, zodat ze stilaan begrepen dat de situatie waarin ze leefden onrechtvaardig en wreed was en helemaal niet beantwoordde aan de droom van God voor alle mensen op deze wereld.

Na vele bloeiende jaren in de bergen werd Lieven benoemd in de pleinen en werd hij pastoor van de grote parochie van Pignon, met haar prachtige kerk. Daar kwam hij in een nieuw pastoraal landschap terecht, met een poging tot groeiende samenwerking tussen de naburige parochies. Voor mij, zijn naaste buurman, een zeer deugddoende en rijke ervaring, waarin ik Lieven altijd zal herinneren als de vriend met het luisterend oor, zijn geïnteresseerde blik en zijn openheid om ook anderen binnen te laten in zijn parochiewerk. Ging er een te ver, dan was één van zijn grote gaven dat hij kon vergeven en vergeten. Altijd streefde Lieven naar vrede en broederlijkheid. Ten overstaan van autoriteiten was hij standvastig in zijn opkomen tegen onrecht. Als buurman van de kazerne letten de soldaten op om niemand te onmenselijk aan te pakken.

Na vele jaren Pignon werd Lieven benoemd als pastoor in de parochie Saltadère, een dorp aan de grens met de Dominicaanse Republiek. Daar werkte hij verder aan de uitbouw van een rechtvaardiger en leefbaarder Haïti, aan de droom van God voor dit getormenteerde land. Als steun en toeverlaat kon hij nu rekenen op de steun van Myriam, nu slotzuster in Brecht.

De laatste stap in zijn missie-activiteit bracht hem terug naar waar hij begonnen was, Bois de Lorenz, vroeger buitenpost van zijn eerste parochie Vallières, intussen opgericht als zelfstandige parochie. Daar werkte hij nog vele jaren tot zijn gezondheid hem verplichtte om – na bijna 50 jaar missie – terug te keren naar België, waar hij nog 10 jaar het beste van zichzelf zou geven in WZC Heilige Familie te Deerlijk. Toen ik hem bezocht, voelde ik mij opnieuw in Haïti. Je voelde dat daar zijn leven was: die gastvrijheid, die geïnteresseerde blik en dat luisterend oor naar berichten van het verre eiland.

Stilaan verloor hij fysieke kracht en moest hij loslaten wat hem lief was. Hij ging naar het missiehuis van Scheut in Kortrijk, zijn geboortestad. Hij was er gelukkig, maar veel tijd werd hem niet gegund. Corona beperkte hem erg in zijn contacten, tot die vermaledijde ziekte hem zelf trof. Zo zijn we hier onverwacht samen in kleine kring en hier, waar het leven begon, geven we hem ook uit handen. Onverwacht neemt zijn avontuur hier een einde. Het verhaal van een warme mens waarin het verhaal van Jezus handen en voeten heeft gekregen, een lieve mens van God. Vroeger werd op het einde van de liturgie het In Paradisum gezongen waar de arme Lazarus als eerste de overledene zal ontvangen. Vandaag wordt Lieven ontvangen door een arme Haïtiaan die zelfs de kruimels van de tafel van de rijke niet werd gegund. Deze arme sloeber zal zeggen: “m byen kontan ou la zanmim antré lakay papa ou” (“welgekomen mijn vriend, kom binnen in het huis van je Vader”). Pater Lieven, nu voor altijd bij God.

Paul HANSON

 

 

 

Pater Frederic (Vital) MeesMees Frederic

 

Geboren in Rummen op 5 juli 1931

Religieuze geloften op 8 september 1950

Priester gewijd op 7 augustus 1955

Missionaris in Congo (Kasaï) en in België

Overleden in Sint-Pieters-Leeuw (Zuun) op 27 november 2020

 

Vital groeide op in een groot christelijk landbouwersgezin in Rummen, daar waar Vlaams-Brabant in Limburg binnendringt. Vital ging naar het klein seminarie van het nabije Sint-Truiden. Op 18-jarige leeftijd trad hij binnen in het noviciaat, hier in Zuun; Filosofie studeerde hij in Néchin en theologie in Jambes.

Hij had een scherp verstand en grote aanleg voor de wetenschappen. Hij werd daarom weerhouden door onze toenmalige oversten om aardrijkskunde te studeren in Leuven. In 1960 kon hij voor het eerst vertrekken naar het bisdom Kabinda, in de Oost-Kasaï. Hij begon zijn missieleven als leraar in het klein seminarie van Mbuji-Mayi. In 1968 volgde hij François Dufey op als directeur van het St. Paul College van Kabinda, later Shabana genoemd: dat wil zeggen vader van de kinderen. Hij verkreeg subsidies in België en Duitsland om er mooie moderne gebouwen neer te zetten.

In 1977 kwam hij terug in Mbuji-Mayi terecht, maar nu als leraar wiskunde en wetenschappen in de door onze confrater Raphaël Lambrecht opgerichte Pedagogische Hogeschool. Hij zou er meer dan 20 jaar blijven. Hij was ook zondagsonderpastoor in een paar parochies van Mbuji-Mayi.

Het overgrote deel van zijn vrije tijd besteedde hij aan zijn hobby: toestellen testen en herstellen. Vital was zeer handig en had een zwak voor al wat techniek en elektronica is. En daarbij een grote nieuwsgierigheid om door te dringen tot al wat moeilijk en gecompliceerd is. Met grote hardnekkigheid en een groot doorzettingsvermogen zocht hij tot hij er het fijne van wist. Hij heeft ontelbare radio’s, bandopnemers, computers, filmapparaten en dergelijke open gemaakt, onderzocht en hersteld. En steeds gratis! Hij was altijd blij en verrukt als hij iemand kon helpen. In de recreatie en aan tafel kon hij met veel enthousiasme vertellen hoe hij de reparatie had uitgevoerd. Zijn bureel leek veel meer op een atelier dan op de kamer van een priester-leraar. Overal lagen vijzen, schroevendraaiers, kleine en grote elektrische toestellen, meet- en testapparaten, enzovoort. Door zijn handigheid en aangeboren enthousiasme om te helpen is hij van ontelbare waarde geweest in Kabinda, Mbuji-Mayi en hier in België.

In een brief van februari 1866 – niet lang nadat hij toegekomen is in Mongolië – vraagt onze stichter Theofiel Verbist aan de novicemeester Jaak Bax in Scheut ervoor te zorgen om aan de novicen bepaalde technische vaardigheden aan te leren. Hij schrijft ook: “Hier in Mongolië is er veel vlas. Moesten bepaalde confraters leren hoe vlas te bewerken, dan zouden we vele mensen hier vooruit kunnen helpen. Ze zouden ook op de hoogte moeten zijn van de werking van de vlasmachines.” En hij gaat verder: “Anderen zouden horloges moeten kunnen herstellen en weten hoe de radertjes functioneren. Want hier hebben we niemand die dat kan. We hebben ook nood aan tangetjes om rozenhoedjes te maken.”

Als ik dit lees, dan denk ik aan Vital die tientallen tangetjes, schroevendraaiers, vijzen, klemmen en fijn en grof apparatuur op zijn kamer had. Ik heb gehoord dat Vitals inboedel verhuizen van Kessel-Lo naar Zuun niet gemakkelijk was. Er stonden nog zovele apparaten te wachten op herstel en anderen zouden nog kunnen dienen om nuttig materiaal uit te halen. In de jaren 70 al zeiden wij in Kabinda dat Vital geboren was met een schroevendraaier in de buik. Dat typeert hem heel goed.

Maar Vital was veel meer dan een technisch hoogbegaafde man. Hij is altijd een zeer aangenaam en blij confrater geweest die, ondanks grote bedrijvigheid, ook altijd tijd maakte voor de gemeenschap. Hij was altijd actief aanwezig in de kapel, de recreatie en de refter. Hij hield eraan om onder ons te zijn en uit te wisselen. Hij was altijd beschikbaar om diensten te bewijzen. Niet alleen om technische moeilijkheden op te lossen maar ook als chauffeur of voor andere broederlijke diensten.

Vital was een goed mens, zeer edelmoedig en altijd attent. Hij is heel lang zeer actief en alert gebleven, maar ineens ging het vlug, veel te vlug. Te vlug om nog te genieten van de gemeenschap van Zuun en van de bezoeken van de familie. En ook te vlug voor ons. Zijn aanwezigheid en blij enthousiasme deden ons deugd

Hij kan eindelijk rusten daar waar men hem niet meer lastig zal vallen om toestellen na te kijken en te herstellen. Want daar waar hij nu is, werkt alles perfect.

Vital, zoals de man met de vijf talenten uit het evangelie van vandaag heb jij je vele talenten heel goed gebruikt.

Je krijgt nu je loon bij ons aller Vader en bij Jezus de Heer.
Rust in vrede, je hebt het verdiend.

Frans VAN HUMBEECK

 

 

 

Pater Louis Van DammeVan Damme Louis

 

Geboren in Sint-Maria-Oudenhove op 29 januari 1934

Religieuze geloften op 8 september 1954

Priester gewijd op 2 augustus 1959

Missionaris in Congo (Kinshasa) en in België

Overleden in Sint-Pieters-Leeuw (Zuun) op 22 november 2020

 

Naast de ontmoetingen ter gelegenheid van retraites of andere bijeenkomsten heb ik onze confrater Louis Van Damme beter leren kennen op de missies van Beronge, Kiri en Oshwe. Aankomen op zijn missiepost was voor mij altijd een ‘thuiskomen’, want het onthaal bij Louis was steeds warm en hartelijk. Vooral ‘s avonds kon hij op zijn sappige manier zijn jachtverhalen en andere avonturen vertellen.

Louis is naar de missie getrokken om er de Blijde Boodschap uit te dragen. Vanaf zijn jeugd droomde hij ervan om missionaris te worden. Het was daarom dat hij na zijn middelbare studies in Geraardsbergen naar Scheut ging. Met al zijn kwaliteiten heeft hij zich met vreugde en helemaal ingezet voor de mensen waarnaar hij werd uitgestuurd. Hij had veel talenten, maar hij heeft er ook veel bijverdiend voor zijn Heer.

Gedreven door liefde en vol enthousiasme heeft Louis altijd alles gegeven om volledig te kunnen integreren in het leven van de mensen. Hij was een volksmens en hij sprak de lokale taal alsof het zijn moedertaal was. Hij kende de spreuken, gewoonten en gebruiken van de mensen uit zijn missiegebied. Ook van de familierelaties was hij op de hoogte. Hij was vertrouwd met al de verschillende werkzaamheden en hij leefde met alles mee.

In het droog seizoen trok Louis met zijn visgerief de rivier op naar een nganda, een tijdelijke nederzetting gebouwd op droog gekomen oevers of zandbanken. Daar verbleven de vissers een tijdje om hun netten uit te zetten tot de regenperiode aanbrak en alles weer onder water kwam te staan. De vis die hij zelf bijeen vergaarde ging voor een groot deel naar de oudere en zieke mensen die in het dorp waren achtergebleven, maar ook naar studenten om hun studies ermee te helpen bekostigen. Hij wist welke vishaak voor welke vis bestemd was. Op de nganda had Louis ook altijd zijn geweer bij. Hij was een ervaren jager en zo zorgde hij voor een beetje afwisseling in het vismenu.

Dankzij zijn medische kennis heeft Louis ook mensenlevens kunnen redden. Zo heeft hij eens een vrouw kunnen helpen bij een heel moeilijke geboorte. Toen ik eens een verwonding had opgelopen bij een val met de moto heeft hij me gedurende een week vakkundig verzorgd.

Na zijn definitieve terugkomst in België trok Louis naar het Woon- en ZorgCentrum in Wetteren. Ook daar bleef hij verbonden met het bisdom Inongo, en vooral met Nkaw, want bij het personeel was er iemand die van daar afkomstig was en na elk verlof in die streek bracht zij veel nieuws mee voor Louis.

Hij hield er altijd de moed in door het positieve boven te halen en te beklemtonen. Bij hem voelde ik mij goed in mijn vel en kreeg ik aanmoediging om verder te gaan. Louis is voor mij altijd het voorbeeld geweest van wat een confrater Scheutist moet zijn: Cor Unum et Anima Una, zowel in de eenheid met de lokale bevolking als onder confraters. Daardoor kan ik alleen maar vol dankbaarheid aan Louis terugdenken. Hij zal niet met lege handen voor de Heer staan.

Johan VERBEKE

 

 

 

Pater François (Sus) DierickxDierickx Franois

 

Geboren in Vilvoorde op 22 september 1934

Religieuze geloften op 8 september 1960

Priester gewijd op 1 augustus 1965

Missionaris in Haïti, in Duitsland en in België

Overleden in Sint-Pieters-Leeuw (Zuun) op 22 november 2020

 

Een paar lepeltjes suiker, wat citroensap, veel ijs en een paar scheuten Haïtiaanse rum. Goed schudden. De klassieke aperitief in het vroegere provinciaal huis 'Mon Rêve'. Iedereen was present, bewoners en bezoekers. Daar was Sus graag bij. Er werd plezier gemaakt, moppen verteld. We zijn confraters van elkaar en we moeten ook vrienden zijn van elkaar. Hij wilde dat iedereen erbij was en iedereen hoorde erbij. Want wij zijn “Scheutisten”, een familie van religieuze missionarissen. Daartoe was hij geroepen, daarvoor had hij gekozen. En Sus heeft er zijn tijd voor genomen. Hij is een late roeping, of beter hij gaf een laat antwoord. Pas na zijn opleiding tot beenhouwer en daarna zijn middelbare studies bij de Salesianen in Kortrijk begint hij zijn noviciaat bij Scheut in 1959, op 25-jarige leeftijd.

Bij die aperitiefjes ging het er meestal heftig aan toe. Hevige discussies over hoe we dienden aanwezig te zijn in de gemeenschappen, evangelisatie of ontwikkelingsprojecten, zijn we eerst missionarissen oftewel is het religieus zijn belangrijker. Sommigen werden kwaad en zwegen als ze geen gelijk kregen. Maar wanneer we aan tafel kwamen was het weer allemaal voorbij. En Sus deed goed mee aan het uitwisselen van gedachten; hij had zijn overtuiging; hij wist wat hij wilde; hij had zelf keuzes moeten maken. In het leven hangt alles aan elkaar; je moet de hele mens – in al zijn facetten – betrekken om vooruit te komen, om zichzelf te realiseren. En dat kan je niet alleen. Voor Sus moet iedereen meedoen, mannen en vrouwen, jeugd en volwassenen, boeren en ambachtslui, burgers en autoriteiten.

Sus vergaderde met de mensen en stuurde de geëngageerde leken naar allerhande sessies in het diocesaan vormingscentrum. Over verloop van een zekere tijd liet hij 17 landbouwers een opleiding van 6 maanden volgen tot animator. Daaruit vloeide over de hele parochie een werking van landbouwersgroepen. De Caritaswerking van het bisdom en Broederlijk Delen van België steunden en begeleidden dit hele netwerk. De gewone mensen namen en kregen het woord: overleggen en bespreken, oorzaken en gevolgen verbinden, tot besluiten komen en dan acties plannen om er iets aan te doen. “Waar twee of drie samen zijn, daar ben Ik in hun midden.” zegt Jezus. En daarvoor was Sus missionaris. Daar was Sus in hun midden.

Hij was een noeste werker, voortdravend. Want hij was er sterk van overtuigd dat het evangelie, het Goede Nieuws van Jezus van Nazareth, vandaag hier en nu geleefd moet worden. Dat iedereen een mens is, kind van God, broer en zus van elkaar. Dus ook aan iedereen zijn gelijke. De Haïtiaanse autoriteiten, en vooral de militairen voelden zich heer en meester. Burgers werden niet beschouwd als mensen, alleen maar een “iets”, “un élément”. Dat kon bij Sus niet door de beugel. Daardoor kwam hij regelmatig in botsing met de civiele en militaire autoriteiten. Maar hij was 3 jaar legeraalmoezenier in Duitsland geweest, met de rang van majoor. En Sus weet hoe zich te imponeren. Een mooie foto van hem in vol ornaat hing in de living van de pastorij. En het plaatselijke hoofd van het leger in het dorp was maar een kapitein. Hij moest nu zijn meerdere groeten. Sus genoot van het plezier.

 

Sus wenste dat iedereen een zegen zou mogen zijn voor elkaar,
een teken van vrede en vreugde.

 

Beste broer en vriend Jezus Christus, neem onze broer Sus in uw armen.

Jean HOSTENS

 

 

 

Broeder Jozef KoekenKoeken Jozef

 

Geboren in Zundert (Nederland) op 30 januari 1921

Religieuze geloften op 1 november 1941

Missionaris in Congo (Kasaï) en in België

Overleden in Sint-Pieters-Leeuw (Zuun) op 21 november 2020

 

Onze medebroeder Jozef Koeken heeft een heel hoge leeftijd bereikt. Hij hoort zelfs bij de recordhouders qua aantal levensjaren in Scheut: hij is bijna een eeuw oud geworden. Jef zelf maakte zich er liever niet druk over. Sommigen zouden zeggen: “Business as usual”. Misschien is dat wel het levensmotto van Jef geweest, zonder die ingesteldheid zo – in het Engels – bij name te noemen: “Laat ons maar overgaan tot de orde van de dag.”

Voor broeder Jef was de orde van de dag de rauwe werkelijkheid, gedurende de laatste drietal weken van zijn leven dat hij met een longontsteking opgenomen was in het overwegend Franstalig Erasmusziekenhuis in Anderlecht. Hoe heeft Jef dat in godsnaam kunnen doorleven? Dat zal niemand kunnen zeggen; zijn Heer wist het en Jef zelf was de enige die het wist, in de Heilige Geest; anderen – zoals wij – konden er enkel een vermoeden van hebben, en een schamel “Weesgegroet” voor hem bidden. Broeder Jef heeft zich heel zeker moedig, en sterk, en vertrouwvol gehouden, hopend en gelovend en vol liefde.

In de verrijzenisliturgie brachten wij het verhaal van de broers Andreas en Simon (Mt 4,18-22) dat past bij het roepingsverhaal van broeder Jef. Hij mocht opgroeien in een heel warme, christelijke thuis op de boerderij, samen met 8 broers en zussen. Zoals de broers in het evangelie heeft Jef de tocht doorheen zijn leven, in grote lijnen, samen met twee broers van hem gemaakt. Enerzijds zijn tweelingbroer Jaak, die nog steeds in leven is, en anderzijds een andere broer, Scheutist pater Theodoor Koeken, die overleed in 2003. Jezus zegt tot Andreas en Simon: “Komt, volgt Mij; Ik zal u vissers van mensen maken.” En, hoorden wij, zo gebeurde ook met de andere broers, Jakobus en Johannes. Doorheen de wisselvalligheden van het leven bleef Jefs kompas louter en alleen op de dringende uitnodiging van de Heer gericht: “Kom, en volg Mij.”

Het eerste vertrek van Jef naar de Kasaï-provincie had plaats in 1947. Hij verrichtte daar verschillende taken, vooral bouwprojecten, in meerdere missieposten. In 1970 kwam hij, om gezondheidsredenen, voorgoed terug.

Broeder Jef nam zijn intrek in de gemeenschap van Schilde. Hij kon zich daar volop ontplooien in allerlei werk, zowel binnens- als buitenshuis: als schrijnwerker, varkensboer, schoenmaker, bosbeheerder, wegenwerker, groentekweker, bevoorrading van de gemeenschap, onderhoud van de boomgaard, fruit plukken, … In de ontspanning was broeder Jef een hevig kaartspeler en ook grappenmaker. Het hoeft niet gezegd dat hij, voor en na alles, zijn leven en heel zijn wezen toetste in zijn gebedsleven. Tot op het laatste kon je Jef vinden, zijn rozenkrans in de hand.

Een nicht van broeder Jef schrijft: “Jef-oom was een sterke man en ondanks zijn toenemende doofheid en leeftijd bleef hij een interessante verteller, begaafd met een scherpe geest.”

Laat ons ten slotte even terugkeren naar de laatste levensdagen van broeder Jef. Op donderdag 19 november is hij vanuit het ziekenhuis naar huis teruggebracht. Voor mij en ons allen mocht dat een bevrijding, een vreugde, een geruststelling en een “bijna thuiskomen” betekenen. Jef evolueerde geleidelijk. De avond voor zijn dood kwam hij tot rust, aanvaarding, sereniteit, verzoening, vrede, zelfgave, gebed, troost, oprechtheid, moed en Ont-moeting. Tot hij, ’s anderendaags in de morgen, in de diepste Stilte, een stem hoorde die hem zei: “Kom, gezegende van de Heer.” Dat was terwijl wij in gebed in de kapel vertoefden.

Dat broeder Jef nu rust in de vrede van de Heer.

Karel TIMMERMAN