BRONNEN VAN WELZIJN

 

In de Bijbel zijn er tientallen passages over bronnen. Vooral twee teksten daarrond hebben mij altijd bijzonder aangesproken.

1°. Ezechiël 47: het gaat hier over een bron die in de tempel, in het huis van God, ontspringt en steeds meer terrein bevloeit. Overal waar het water voorbijkomt, ontstaat er leven en is er groei in overvloed. En de bomen geven elke maand vruchten. Mooi beeld om aan te duiden dat wie uit God leeft heel vruchtbaar wordt.

2°. Jn 4 : de ontmoeting van Jezus met de Samaritaanse vrouw aan de bron: aanleiding voor Jezus om over levend water te spreken. En om die vrouw te laten aanvoelen dat er andere waarden zijn dan degene die zij tot nu toe als belangrijk beschouwde.

Je zou je in dat water van de Bron willen baden of er overvloedig van drinken om volledig gezond te worden, lichamelijk en geestelijk.

Sommige mensen dromen ervan om eindelijk een bijzondere thee of een andere heilzame drank te vinden die hun kwalen wegneemt. Maar zulke drank bestaat niet.

Wel zijn er bronnen die bijzonder deugd doen en mensen vernieuwen en beter maken. Ik denk aan een paar van die bronnen - vooral dan voor ons religieuzen.

 

Een eerste bron is – om het in zeer oude terminologie te zeggen – je ziel laven aan de Bron die de Heer is. Tijd, ruimte nemen voor stil gebed om te verademen in Hem, en zijn weldoende invloed in te ademen. Om tot diepe dankbaarheid te komen. Bij Hem kun je ook je moeilijkheden en je verlangens uitspreken en kun je jezelf zijn. Bij God vertoeven: een bron van welzijn.

 

broederlijkheid

Ik denk nu vooral aan een andere bron voor ons: broederlijkheid. Broederlijkheid is een zeer breed begrip. Maar ik denk dan vooral aan wat zo typisch is voor ons Scheutisten en wat wij gewoonlijk omschrijven als ‘familiale Scheutse sfeer’.

Er zitten daaronder heel wat deugden verscholen zoals: warm onthaal, eenvoud, beschikbaarheid, dienstbaarheid, betrokkenheid, zich goed voelen bij elkaar.

De laatste maanden ben ik getroffen door een woord dat men meer en meer aantreft in artikels over zorg en professionele of vrijwillige inzet: verbondenheid.  De laatste brief van onze bisschoppen van 26 maart draagt als titel: “Verbondenheid tussen de volkeren”. Maar het gaat daar ook over verbondenheid in het dagelijkse leven, daar waar mensen leven en wonen.

Die verbondenheid of broederlijkheid kan op verschillende manieren beleefd worden. Ik denk dan heel speciaal aan onze concrete situatie.

Er zijn confraters die alleen wonen: ergens te lande zijn ze bezig in een parochie, rusthuis, als aalmoezenier of gewoon op rust. Die confraters hebben een referentiegemeenschap (een eigenaardig woord vind ik dat!) waar ze naartoe kunnen bij gelegenheid van recollecties, feesten of gewoon om er een paar dagen te genieten van de Scheutse gastvrijheid. Het is belangrijk voor hen dat ze zich echt verbonden weten met de confraters. Dat ze weten dat ze altijd van harte welkom zijn. Dat ze blijven meeleven met wat gebeurt in de Provincie en op congregationeel vlak. En omgekeerd is het belangrijk dat de confraters van hun gemeenschap interesse tonen in het leven en de werkzaamheden van zij die alleen wonen. Dat schept een band van broederlijkheid en betrokkenheid.

De meeste confraters leven in een gemeenschap: elke gemeenschap is ‘speciaal’: met een eigen spirit en eigen gewoonten. Met sterke en minder sterke kanten. Maar al die gemeenschappen, in Vlaanderen, Nederland en Wallonië of Brussel, hebben iets gemeen: een familiale sfeer eigen aan Scheut. Die ook door buitenstaanders opgemerkt wordt en fel gewaardeerd. Het gaat om gemoedelijkheid, hartelijkheid, eenvoudige en gemakkelijke toegang. Mensen van buiten voelen zich onmiddellijk thuis.

Wat mij al die jaren opvalt is dat die gemeenschappen gedragen worden door een kern – tamelijk groot soms – van confraters die zich met hart en ziel inzetten voor het welzijn van de gemeenschap. Zomaar – gratis - steeds beschikbaar om een taak te vervullen of om in te springen. Of om verantwoordelijkheid te dragen. Zonder die blijde en edelmoedige inzet van die kern van confraters zou die gemeenschap niet leefbaar zijn. Als dan nog kan gerekend worden op personeel dat zich thuis voelt en sterk betrokken bij wat er bij ons leeft en gebeurt en meer doet dan wat strikt gevraagd wordt, dan wordt de gemeenschap een plek waar het goed is om leven.

Als er daarbij nog vrijwilligers zijn – zoals in Torhout bijvoorbeeld - die de Scheutse sfeer mee beleven, dan maakt dat de cirkel rond. In zulke gemeenschap mogen leven is bron van welzijn, van vrede en geluk en van zich gedragen weten: en dat zijn stenen van een mooie oude dag.

 

 

In de woestijn van de oude dag liggen bronnen verborgen die ons bevloeien en frisheid en kracht geven om dankbare en gelukkige mensen te zijn ondanks het geleidelijk afnemen van de vitale krachten. ‘Wat de woestijn zo mooi maakt’ zei de kleine prins van Saint-Exupéry ‘is dat er ergens een bron verscholen ligt’.

 

Ik hoop dat die bronnen blijven vloeien ook als wij nog meer verminderen in aantal en wij nog meer dan nu beroep moeten doen op leken. Als die leken onze spiritualiteit en ingesteldheid begrijpen en daarin willen meedraaien dan is de toekomst verzekerd. Dan blijven onze gemeenschappen oorden van leven waar de confraters zich echt thuis voelen.

 

Dat is mijn wens voor de komende jaren.

 

 

 Frans VAN HUMBEECK