23 februari 1868 – 23 februari 2018

150 jaar geleden stierf Theofiel Verbist, onze stichter


Verbist

 

Op 25 augustus 1865 verlieten vier priesters Brussel om via Marseille naar China te reizen. De leider van het gezelschap was Theofiel Verbist, een man van diep geloof en bezield met een groot ideaal. Hij had het plan opgevat in China een weeshuis op te richten en zich aldus te wijden aan de zorg van verlaten kinderen. Dit plan liet hem niet los, hij had er over gesproken met zijn oversten. Met bedachtzaamheid maar ook met een sterke vastberadenheid had hij gewerkt om aan zijn project bekendheid te geven door contacten en brieven en conferenties. Hij had de steun van de aartsbisschop van Mechelen, en hij was zelfs naar Rome gereisd om kardinaal Barnabo te ontmoeten, de Prefect van de Congregatie voor de Voortplanting van het Geloof. Deze had het plan van Verbist een brede wending gegeven en hem gevraagd een religieuze congregatie op te richten en er stevige grondslagen aan te geven. Het project groeide langzaam. Verbist voelde belangstelling en sympathie. Maar slechts weinig kandidaten boden zich aan. Het avontuur was onmetelijk. Wat was in het brede publiek van die jaren de kennis van China?

En toch werd in november 1862 het instituut “Belgische Missie voor China” kerkrechtelijk opgericht. Ze waren met vier, allen priesters werkzaam in Brussel, mensen die bereid waren om hun functie en positie op te geven om missionaris te worden in dat verre land dat hun totaal onbekend was.

 

Siwantze, een dorp van christenen in Binnen-Mongolië

Na een reis van drie maanden , op 6 december 1865, kwam de eerste karavaan aan in Siwantze, een dorp in Binnen-Mongolië, voorbij de Chinese Muur. Het dorp lag zeer afgelegen in een smalle vallei van het bergland, maar het was voor de Kerk van het noorden van China een belangrijke plaats. Het was namelijk een dorp van christenen, de mensen die er woonden waren christenen sinds minstens vier generaties. Voor de komst van de Belgische priesters hadden Franse Lazaristen er missiewerk gedaan; er was ter plaatse zelfs een seminarie voor de opleiding van Chinese priesters.

De pas aangekomen missionarissen moesten het werk van hun voorgangers overnemen en er uitbreiding aan geven. Maar eerst moesten zij zich inwerken in hun nieuwe milieu door de moeilijke Chinese taal aan te leren en te wennen aan het volk en zijn gewoonten, en aan het gure klimaat en de lange afstanden. Buiten Siwantze waren de christenen slechts in heel kleine groepjes verspreid; zij waren hoofdzakelijk landverhuizers, mensen die omwille van vervolgingen uitgeweken waren of mensen die gewoon op zoek waren gegaan naar gronden voor hun velden. De gezellen van Verbist, Van Segvelt, Vranckx en Hamer zetten zich aan de studie van de taal, terwijl Verbist besprekingen hield met de plaatselijke overste ven de Lazaristen, Pater Bray die nog een jaar zou blijven, zo was tenminste afgesproken. De jongste van de vier, de Nederlander Hamer vertrok reeds half januari, nauwelijks zes weken na hun aankomst, naar het oostelijk gedeelte van het vicariaat. Hij was vergezeld van een jonge Chinese priester. In april vertrok Van Segvelt, ook naar het oosten, maar voor een nog grotere afstand, 600 km. De opdracht was groot, Verbist vroeg veel, heel veel van zijn confraters, maar zij waren bereid. Ook de Lazarist Bray trok weg uit Siwantze; Verbist en Vranckx bleven alleen in de centrale post. Vranckx belastte zich met de cursussen in het seminarie, Verbist stond hem zoveel mogelijk bij, maar zijn voornaamste werk was het onderhouden van contacten door het schrijven van brieven, vooreerst naar Monseigneur Mouly, Apostolisch Vicaris van Peking, die zijn voornaamste raadgever was, en naar pater Bax, die in Scheut gebleven was en de relaties verzorgde met de mogelijke kandidaten voor het missionaris-leven. Verbist lichtte hem voortdurend in over de harde eisen van het leven in China en vroeg hem om een strenge selectie te doen van belangstellenden. De persoonlijke uitdaging alleen, of het verlangen naar avontuur kon geen voldoende motivering zijn om leden in de congregatie te aanvaarden. Een diep geloof was vereist, een ware offergeest, zonder deze bezieling zou niemand het aankunnen.

 

Voldoening en beproeving

Twee keer in de loop van 1866 kende Verbist een diepe voldoening: op Pasen de priesterwijding van vier Chinese diakens, en in november de aankomst van een tweede groep confraters. Onder hen bevond zich Verlinden, een van zijn eerste volgelingen. Maar in april 1867 overleed plots Van Segvelt. De doodsoorzaak was de typhus, de gevreesde ziekte die later onder de missionarissen zoveel slachtoffers zou maken. In november 1867 kwamen weer een paar jonge confraters aan. Een van hen viel kort na zijn aankomst ernstig ziek, het was weer eens een beproeving voor Verbist.

Ondertussen was de bezetting van het missiegebied Binnen-Mongolië toch wel vooruitgegaan, er waren perspectieven voor de toekomst. Verbist zag in dat hij mocht terugkeren naar België om verder te werken aan de ontplooiing van het instituut, vooral om een stevige opleiding te verzekeren van de kandidaten die zich aanmeldden. Dat vooral ging hem zeer ter harte. Vooraleer China te verlaten wilde hij een rondreis doen doorheen heel het vicariaat. Hij vertrok op 3 februari 1868 voor een reis die minstens vijf maanden zou duren.

 

Plotselinge dood van Verbist - zijn levenswerk gaat door

Het werd zijn laatste reis want onderweg viel hij ziek en het was zeer ernstig. Op zondag 23 februari 1868 stierf hij in het dorpje Lao hou keou, een kleine christenheid in Oost-Mongolë, ver van Siwantze waar hij twee jaar had gewoond. Anderhalve week was hij ziek geweest. Wat de doodsoorzaak was, het is niet met zekerheid te bepalen of het de typhus was. Er waren geen dokters bij hem, geen verplegers, geen confraters; de dorpelingen waren machteloos, en de catechist die hem vergezeld had heeft geen bijzonderheden kunnen vertellen over de laatste uren van pater Verbist. Hij heeft veel moeten loslaten: zijn leven, zijn plannen, de toekomst van zijn stichting, hij heeft het allemaal in Gods handen moeten leggen.
De verslagenheid van zijn confraters was groot maar het levenswerk van Verbist moest verder gaan. Vranckx werd benoemd om als opvolger van de Stichter naar Europa terug te keren en de zorg op zich te nemen voor de Congregatie en de kandidaten voor het missiewerk. Op zijn terugweg werd pater Vranckx in Rome door Paus Pius IX in audiëntie ontvangen. De paus sprak toen tot hem deze bemoedigende woorden: “Vrees niet. De mens valt wanneer zijn uur gekomen is, maar God zal zijn werk niet ten onder laten gaan.” De stichting van Verbist kwam tot bloei, meer en meer missionarissen vertrokken naar China, en in 1888 vertrokken de eerste Scheutisten naar Congo. In mei 1931 werden de stoffelijke resten van de Stichter naar Scheut teruggebracht. Het werd een plechtige viering vol dankbaarheid voor wat de Congregatie had mogen presteren voor de verspreiding van de Goede Boodschap in China, Congo en de Filippijnen.

Jo Dedier CICM

 grafkapel