Pater Jean Van WeyenberghVan Weyenbergh Jean

 

Geboren in Lebbeke op 5 maart 1931

Religieuze geloften op 8 september 1951

Priester gewijd op 5 augustus 1956

Missionaris in Congo van 1957 tot 2006

Daarna rustend priester, in Sint-Pieters-Leeuw (Zuun), waar hij overleden is op 30 september 2019

 

Jan is geboren in Lebbeke op 5 maart 1931. Hij was de tweede van een groot gezin. Toen Jan 17 was, stierf zijn vader. Moeder bleef alleen achter met acht kinderen. Jan heeft zich dan heel edelmoedig ingezet om zoveel mogelijk moeder te helpen: in de vakantie, maar ook voor en na de schooluren. Daar bleek al heel duidelijk dat Jan een harde werker was en heel edelmoedig.
Hij wou missionaris worden maar hij leefde in tweestrijd: zijn roeping volgen of in België blijven om moeder bij te staan. Zoals Elisa, die koos om het bedrijf van zijn vader met de vele ossen achter te laten en de profeet Elia achterna te gaan, koos Jan ervoor om het ouderlijk bloemenbedrijf achter te laten en Christus te volgen. Maar, bloemen zou hij altijd heel graag blijven zien.
In Scheut kreeg hij de klassieke opleiding: eerst het noviciaat in Zuun in 1950-1951. Daarna twee jaar filosofie in Néchin. Zijn theologie deed hij in Scheut, maar vooral in Leuven. Hij werd priester gewijd in Scheut op 5 augustus 1956, en vertrok einde 1957 naar de Oost-Kasaï. Hij zou er 49 jaar blijven. Hij begon als schoolpater in de missie van Tielen St. Jacques, later Tshilomba genoemd. Hij zou er ook de laatste 15 jaar van zijn actief missieleven doorbrengen als rector van die gigantische missie.
Jan heeft nooit in de stad gewoond. Zijn hele Congoperiode leefde hij tussen de gewone mensen, voornamelijk de boeren. In het zuiden van de Kasaï is er zeer vruchtbare grond, en de mensen leven er van landbouw. Jan voelde zich opperbest tussen die eenvoudige mensen. Hij was jarenlang reispater en hij had een goed contact met de inwoners van de vele dorpen in het binnenland. Zo leerde hij hun gebruiken en gewoontes kennen. Als priester had hij veel vertrouwen. Hij kende heel veel mensen met naam en toenaam, en ook de relaties en verwantschappen tussen hen. Hij had een zeer sterk geheugen, en 20 of 30 jaar later kon hij zich nog precies de namen van velen herinneren, alsook hun dorp van oorsprong en de details over hun leven of familie. En dat maakte Jan erg geliefd.

Op de fameuze missie van Tubeya waren de confraters begonnen met een veestapel. Sommige bewoners van Tubeya hadden ook vee en konden van de infrastructuur en de zorgen van de missie genieten voor hun eigen vee. Jan heeft daar 10 jaar gewoond, en velen met raad en daad bijgestaan om vooruit te komen in het leven. Van daaruit werd Jan naar de missie van Kamiji gestuurd waar de Scheutisten de veestapel van het bisdom in handen hadden. Er waren daar duizenden koeien. En er was op een bepaald moment nood aan een confrater die de boerenstiel kende, en zich daar wou inzetten. Zoals overal voelde Jan zich op zijn gemak tussen de veehouders en de plaatselijke bevolking.
Na 24 jaar in de volle natuur geleefd te hebben, wachtte hem een andere taak in 1981. Hij werd pastoor in Lukalaba, op een 50 km van de grote stad Mbuji-Mayi. Lukalaba was een tamelijk nieuwe missiepost met een dichte bevolking. Zoals elke pastoor was Jan bedrijvig in de pastoraal om het Woord Gods te verkondigen en om van de mensen goede christenen te maken. Maar zijn aandacht ging ook naar sociaal werk. Hij bouwde er een groot centrum voor gehandicapten dat door de inlandse zusters bestuurd werd.
Op jonge leeftijd had hij al de missie van Mulundu helpen bouwen. Zijn handigheid en doorzettingsvermogen waren al lang opgemerkt door zijn oversten. Zo werd op hem beroep gedaan om het nieuwe provinciale huis in Mbuji-Mayi te bouwen. Gedurende jaren zou Jan daar elke week een paar dagen aan wijden. Eerst vanuit Lukalaba (op 50 km) en later vanuit Tshilomba (op 150km). Niets was te zwaar of te ver. Jan zette door: zoals de boer uit ‘de ballade van de boer’ van Werumeus Buning. Hij ploegde voort tot het werk af was.
In Tshilomba heeft Jan nog vele mooie jaren gekend als rector. Er werden daar geregeld retraites en sessies georganiseerd. Jan zorgde ervoor dat iedereen een nette kamer had en dat er smakelijke maaltijden werden geserveerd. Hij had daar ook een grote tuin met overvloed aan inlandse en Europese groenten. Zoals de maaier uit het evangelie heeft Jan veel gezaaid, letterlijk en figuurlijk.
Toen hij 75 was kwam hij naar België, naar Zuun. Niet om te rusten maar om in dienst te staan van de gemeenschap. Hij zou bijna tien jaar lang de hovenier van deze gemeenschap zijn. Ook als hij niet goed ter been meer was, deed hij naarstig voort. Als het moest, zat hij uren op zijn knieën tussen de planten. Tot het niet meer ging.
De laatste jaren was Jan ernstig ziek. Maar hij vocht tegen de ziekte met wisselend succes. Hij gaf niet op. Hij verbeet de pijn en de vermoeidheid en kwam telkens weer naar boven. En dan, genoot hij weer zichtbaar van het leven, van een goede babbel met de confraters, van de bezoeken en van al wat de moeite waard is. Tot het einde naderde.

Vermeldenswaardig, een fragment uit het gedicht van Werumeus Buning: ‘De ballade van de boer’:

Heer God! De boer lag in het gras,
Toen droomde hij deze droom:
Dat er eindelijk een rustdag was
Naar apostel Johannes' woord.
En de kwaden gingen hem links voorbij
En de goeden rechts voorbij,
Maar de boer had zijn naam nog niet gehoord
En de boer hij ploegde voort.
Eerst toen de boer die hemel zag
Zo vol van lichte schijn,
Toen spande hij zijn ploegpaard af,
En hij veegde het zweet van zijn voorhoofd af,
En hij knielde naast zijn stilstaand paard,
En hij wachtte op Gods woord.

Jan heeft nog een tijd ‘voortgeploegd’. Hij gaf niet op tot hij wist dat de Heer hem riep, dat het Licht naderde. Hij heeft dan heel bewust zijn familie geroepen en afscheid genomen. Ook van de confraters en van het leven, en alles vol overgave in de handen van God gelegd. En hij wachtte op Gods Woord. En dat riep hem op de laatste dag van september. In het begin van de herfst, als de bladeren beginnen te vallen.
“Jan, je bent nu bij de Heer die je zo trouw gediend hebt. Misschien kun je hem een lapje grond vragen waar je bloemen kunt planten en prei en selder en veel rabarber om uit te delen. Want, werken en zorgen en uitdelen dat deed je zo graag.”
Jan, je was een goede confrater en een milde en edelmoedige man. Rust nu in vrede.

Frans VAN HUMBEECK