Pater Jozef Herman Stulens

Stulens Jozef Herman 2 

Geboren te Zutendaal op 05.08.1932

Religieuze geloften op 08.09.1953

Priester gewijd op 03.08.1958

Missionaris in Congo (KIN) van 1959 tot 2006

Overleden in Zuun op 07.08.2017

 

Een belangrijk gebeuren in het leven van Joe is zeker de overval waarvan hij in 1961, na de moord op Lumumba, slachtoffer werd. Dat had gans zijn leven een andere wending kunnen gegeven hebben. Na een verblijf van enkele maanden in het ziekenhuis in Kinshasa en revalidatie in België keerde hij toch weer met veel moed terug naar dezelfde parochie. Vooral de laatste jaren van zijn leven speelde dat gebeuren voortdurend in zijn hoofd, niet alleen het feit zelf maar ook de ontmoeting met de overvallers die veel jaren later vergiffenis kwamen vragen.

Joe heeft een mooie en vrolijke jeugd gehad in het gezin, was eerder guitig en zelfs een beetje ondeugend. In de familie zag hij zijn oudere zus naar het klooster gaan en één van zijn broers naar Scheut, broeder Gerard. Ook in de parochie, de jeugdbeweging KSA en in het kleinseminarie groeide bij Joe het verlangen missionaris te worden. En hij ging ervoor. Zo heeft hij zich 47 jaar met hart en ziel ingezet in Kinshasa. Met zijn dynamisme en werkkracht kon hij grote parochies organiseren en bezielen, vooral dan St.-Pierre, St.-Joseph, Mama wa bosawa en N.D. de Fatima. Overal was hij de goede herder die zijn schapen kende en ging opzoeken tot in de verste wijken. Dat alles heeft Joe geprobeerd te beleven ondanks veel spanningen en geweld. Dikwijls werd er gevreesd dat in die miljoenenstad een opstand zou uitbreken.

Joe hield van contacten met mensen, niet alleen met verantwoordelijken in de Kerk en de maatschappij, maar ook met de kleine mensen, zieken en armen. Hij wilde iedereen, groot en klein, samenbrengen rond Christus, zowel in de woonwijken als in de parochiezaal, waar hij veel aandacht aan besteedde. Samen met zijn broer Gerard bouwde hij ruime en aangepaste ontmoetingsplaatsen. Hij zette zich in voor de groei van plaatselijke gemeenschappen. Daarom maakte hij veel tijd voor bijbelsessies, catechese voor kinderen en volwassenen, vergaderingen, huisbezoeken en persoonlijke contacten. Hij hield van feesten, ook in de parochie bij zijn mensen, kortom hij hield van het leven. Hij was er altijd graag bij. Hij is steeds een levenslustige man gebleven.

De liturgische vieringen kregen bij hem heel veel aandacht, tijd en zorg. Dat was de kern en het belangrijkste in zijn pastoraal werk. Zo heeft hij in de laatste parochie, die van Fatima, waar hij ruim 13 jaar gewerkt heeft, de kroon op het werk gezet door het bouwen en inrichten van een mariaal sanctuarium. Joe was er zo fier op en met reden. Aan een bidplaats buiten aan de kerk konden de mensen even halt houden in de drukte van de dag of even verpozen in de hitte van de middagzon.

Joe, samen met veel mensen in Kinshasa en elders zijn wij je dankbaar voor je inzet, je levensvreugde en humor, kortom voor wie je was. Met veel moed heb je stilaan afscheid genomen van het leven en keerde je terug tot God, in de stilte, in urenlang aanwezig zijn bij de Heer. Wij dragen mooie herinneringen van je mee.

Cyriel STULENS

 

 

 

Pater Frans FagardFagard Frans

 

Geboren te Hoeselt op 01.11.1928

Religieuze geloften op 08.09.1948

Priester gewijd op 02.08.1953

Missionaris in Congo (KAS) van 1954 tot 2000

Overleden in Zuun op 07.07.2017

 


Frans Fagard, of Sooi zoals wij Scheutisten hem noemden, was een innig goed mens, had een goed hart en was zachtmoedig. Hij had aandacht en respect voor alle mensen zonder onderscheid: hij hield veel van zijn grote familie in Limburg, meer bepaald in Alt-Hoeselt, en hij hield veel van de mensen in Congo. Hij had veel geduld en had contact met alle mensen: interessante en vervelende mensen, groot en klein, rijk en arm. Iedereen was welkom in zijn groot hart.

In 1972, pas 21 jaar oud, kwam ik voor de eerste keer aan in Kasayi om er een missionaire stage te doen. Er waren daar toen nog honderden Scheutisten, maar Sooi viel op in die groep. Hij was pastoor van de Sint-Maartensparochie in Kananga en ik was er altijd welkom. Ik ben dikwijls bij hem geweest, ik was er thuis. Hij had toen al 18 jaar ervaring in de missie, ikzelf moest nog alles ontdekken. Daar had Sooi begrip voor, met veel geduld.

Toen hij gedurende zijn laatste periode in Congo pastoor was van de H. Familieparochie in Kananga, zagen we hem dikwijls rondwandelen in de cité, om de mensen te bezoeken. Hij nam er zijn tijd voor, hij wilde iedereen kennen. Zo kende hij veel families met naam en toenaam: vader en moeder, kinderen, grootouders... Hij prentte alles in zijn geheugen dat heel sterk was.

Op een bepaald moment begon hij de mensen in zijn parochie te bezoeken per fiets. ’s Avonds vertelde hij dan met veel plezier: “Ik heb een goede fiets! Ik heb zelfs geen pedalen meer nodig!” Wat gebeurde er? Spelenderwijze duwden de kinderen van zijn parochie zijn fiets voort langs de wegjes van de cité. Maar hij moest regelmatig afremmen, anders kon hij niet met de mensen praten. “Langzaam aan en niet te snel”, dat was zijn leuze.

Sooi was een goede vader, een goede herder. De confraters konden genieten en plezier maken met Sooi in hun midden. Ook was hij erg bekommerd om het leven van zijn mensen: hij gaf hen veel vertrouwen en verantwoordelijkheid. In de H. Familie- en Sint-Maartensparochie in Kananga, veroorzaakten de tropische regens grote erosies. Na iedere regen vond men lemen huisjes die in de ravijn gegleden waren. Met de hulp van mensen in Limburg zorgde hij ervoor dat er gemetste kanalen kwamen die het regenwater afvoerden zonder grondverschuivingen te veroorzaken.

Hij sprak veel over Mashala, waar hij twee keer vele jaren geweest is. Daar was hij erg gelukkig. Hij begon er zijn missieleven als medestichter van de missie samen met P. Wieke Delsaerdt. Ze woonden er in een hut. Bij zijn tweede benoeming in Mashala zorgde hij voor een nieuwe ruime kerk. Ook in de Sint-Maartensparochie in Kananga bouwde hij een mooie kerk.

Hij kon ook heel stil worden en teruggetrokken in zichzelf toen er conflicten of moeilijkheden waren in zijn parochie. Dat was zijn manier om mee te lijden met zijn mensen, om hen trouw te blijven in goede en kwade dagen. Maar hij kon ook heel wat gebeurtenissen relativeren met zijn smakelijke lach. Toen hij eens een bestelling cement voor de bouw van de kanalen moest betalen, wist hij dat hij het geld had. Maar om diefstal te vermijden had hij de bankbiljetten in de boeken op zijn boekenrek gestopt, maar hij wist niet meer in welke. Dat heeft toen wat tijd gevraagd om alle boeken te doorbladeren. Daarna kon hij daar goed om lachen.

In 2000 viel hij zwaar ziek en moest Congo verlaten. Hij kwam in Kessel-Lo terecht. Toen hij beter was, ging hij iedere dag zieke confraters bezoeken op hun kamers. En hij schreef veel brieven naar zijn mensen in Congo. Tot op vandaag vragen veel mensen daar hoe het gaat met ‘Mompère Fagard’, zoals ze hem ginder noemden.

Wat was het geheim van Sooi? Heel simpel: zijn liefde tot God en zijn liefde tot de mensen. Volgens Jezus omvatten deze twee geboden heel ons geloof, en Sooi maakte dat in zijn leven heel concreet. We hoeven maar naar zijn leven te kijken om te weten wat die woorden van Jezus betekenen. We geloven dat Sooi nu leeft in de Liefde zonder Grenzen van God. Dank je wel, Sooi, voor je mooi leven dat ons allemaal blijft inspireren. Dank je!

Ivo VANVOLSEM

 

 

 

Pater Jos BastiaensenBastiaensen Jos

 

Geboren te Zandhoven op 06.05.1939

Religieuze geloften op 08.09.1959

Priester gewijd op 02.08.1964

Missionaris in Japan van 1965 tot 2004 en daarna in België

Overleden in Edegem op 24.06.2017

 

Na zijn humaniora in het kleinseminarie van Hoogstraten trok Jos naar het noviciaat van Scheut in Zuun en studeerde filosofie in Kessel-Lo en theologie in Scheut en Leuven. Op 10 september 1965 vertrok hij dan voor het eerst naar Japan en liep samen met een andere jonge confrater twee jaar lang taalschool in Nibuno. Stilaan nam hij er ook de Japanse cultuur in zich op. Hij werd daarna kersvers onderpastoor in Himeji onder de leiding van een ervaren confrater en bleef het drie jaar. Toen zijn vader stierf werd het wel een moeilijke tijd voor Jos, maar het was niet de gewoonte daarvoor naar huis te komen.

Na zijn verlof in 1970 werd hij onderpastoor in Kurashiki, in het bisdom Hiroshima, en vervolgens onderpastoor in Sakai, ten zuiden van Osaka. Naast zijn gewoon werk als parochiepriester was hij ook aalmoezenier van de gevangenis in Osaka, en deed een speciale studie van enkele maanden om mee te helpen in een bureau waar mensen met problemen hun zorgen telefonisch konden uitspreken.

In 1982 werd hij rector benoemd van een kleuterschool in de stad Semboku, waar Scheut zich voorgoed wilde vestigen. Drie jaar later werd hij er directeur en men had ook plannen om er een parochie te stichten. Maar toen reeds kreeg Jos hartproblemen. Met een groep Japanse studenten op reis in de Filipijnen werd hij met spoed naar een hospitaal in Manila gebracht en hij kreeg er reeds een dubbele overbrugging. Enkele jaren later, tijdens een vergadering van de Provinciale Raad in Japan werd hij onwel, en werd opgenomen in het ziekenhuis van Himeji. Dat jaar stopte hij dan ook als aalmoezenier van de gevangenis, als pastoor van Semboku en als directeur van de kleuterschool. Hij trok weg uit de grote stad en ging op de buiten, in Kurashiki. Geleidelijk vergat hij de tijdbom die echter genadeloos verder tikte. Ook de gemeenschap vergat het, en in 1995 werd hij Viceprovinciaal gekozen.

In Kurashiki was Jos afwisselend actieve pastoor of assistent. Er waren daar grote veranderingen op komst. Onze 3 parochies moesten er geleidelijk aan één parochie, één federatie vormen en in 1996 werd Jos moderator van het team. Maar toen de Provinciaal van Scheut gekozen werd in het Algemeen Bestuur in Rome moest Jos vanzelfsprekend de taak van Provinciaal op zich nemen. Daardoor kreeg hij een nog grotere verantwoordelijkheid, en ook het feit dat de nog jonge Provinciaal Econoom plots stierf heeft zwaar op hem gewogen.

Jos leidde werkelijk een heel druk leven. Hij was steeds in volle actie, steeds bezig met een overvol programma. In 2004 is Jos dan definitief naar Europa teruggekeerd. Hij werd Rector in het moederhuis van Scheut, maar ook daar maakten hartproblemen vroegtijdig een einde aan. Toen ging hij op rust in Kessel-Lo maar na korte tijd deed men beroep op hem om Econoom te worden in ons huis van Leuven. Toen het huis van Leuven opgegeven werd zou hij eindelijk echt op rust kunnen gaan in Schilde. Doch rusten, dat kende hij niet, en hij bleef heel actief in de gemeenschap en in het verlenen van pastorale diensten in parochies en aan zustergemeenschappen, maar vooral aan de Japanse gemeenschap in België. Op 20 juni werd hij, opnieuw wegens hartklachten, opgenomen in het ziekenhuis van Deurne om ’s anderendaags overgebracht te worden naar het Universitair Ziekenhuis in Edegem waar hij op 24 juni overleed. Na elke hartcrisis had Jos zich steeds herpakt maar deze keer werd het hem fataal. Dank u Jos voor alles wat je in al je ijver voor zoveel mensen gedaan hebt. Moge na dit vele werk je nu echt tot rust komen in de vrede van de Heer.

Willy HEIJMANS

 

 

 

Pater Marcel MestdaghMestdagh Marcel

 

Geboren te Oostende op 09.08.1932

Religieuze geloften op 08.09.1952

Priester gewijd op 03.08.1958

Missionaris in Congo (KAS) van 1959 tot 2008 en daarna in België

Overleden in Torhout op 03.06.2017


Afkomstig van Oostende bracht Marcel zijn jeugd door in Langemark omdat zijn vader daar postmeester benoemd werd. Hij deed dan ook zijn humaniora in het college van Ieper en trok daarna naar het noviciaat van Scheut. In plaats van filosofie in één van onze studiehuizen te doen ging hij klassieke filologie en Thomistische wijsbegeerte studeren aan de universiteit van Leuven en daarna deed hij zijn theologie in Kessel-Lo en Jambes. In augustus 1959 vertrok hij dan naar Kasaï.

Zoals de meeste jonge missionarissen in die tijd werd hij eerst directeur van de lagere school maar na een jaar werd hij al leraar aan het kleinseminarie van Kalenda dat later overgeplaatst werd naar Tshilundu. Dat bleef hij zes jaar en vervolgens was hij 13 jaar lang pastoor in Mbuji-Mayi. In 1980 werd hij Provinciaal van Oost-Kasaï.

Marcel hield ervan te vertellen dat de principaal van het college zich afvroeg of hij, met zijn handicap, wel missionaris zou kunnen worden. Hij had immers wat problemen aan zijn voeten en tijdens zijn jeugdjaren was hij er verschillende keren aan geopereerd geworden. Zo was het stappen voor hem soms wat moeilijk, maar Algemeen Overste Jozef Vandeputte antwoordde: “Als zijn kop maar goed is”. En die was inderdaad heel goed. Na zijn provincialaat was Marcel vele jaren verbonden aan het Pastoraal Centrum van Mbuji-Mayi. In die tijd werkte hij, samen met de protestanten, aan een oecumenische vertaling van de bijbel in het Tshiluba, en was vooral ook actief in animatie van de missionarissen en de jonge inlandse priesters en zusters. Ook is hij Regionaal Coördinator van CICM van Afrika geweest en reisde in die functie alle Afrikaanse landen af waar Scheut werkzaam was. Toen in 1992 de twee Kasaï’s opnieuw samengevoegd werden werd hij er de eerste Provinciaal van.

Marcel hield van de bijbel en kende die door en door. Hij had er zich immers vele jaren in verdiept toen hij die vertaalde. De woorden die God tot Ezechiël sprak toen hij hem opriep de bewaker van zijn volk te zijn, en hen op te roepen het kwade te laten en het goede te doen, bracht ook Marcel in praktijk. Hij voelde zich verantwoordelijk voor de uitbouw van een levenskrachtige en geëngageerde kerk. De vorming en integratie van de jonge missionarissen kregen zijn bijzondere aandacht. Hij begeleidde hen met veel tact en fijngevoeligheid, zoals het een echte herder past. Ook de woorden die we vinden in de parabels van Jezus, “Wie is mijn naaste?” en “wanneer hebben we je hongerig of ziek of in de gevangenis gezien, of als een vreemdeling zonder huis?” wist hij te vertalen niet alleen in woorden, maar ook in daden. Evangelisatie was meer dan preken, en hij wist de missionarissen te animeren om de daad bij het woord te voegen in hun manier van missionaris zijn.

Na zijn term als Provinciaal van de eengemaakte Kasaï-Provincie deed Marcel nog vele jaren animatie vanuit het ‘Centre Missionnaire Theophile Verbist’ in Tshilomba. Hij was er ook Directeur van CIAM-Kasaï (Centre d’information et d’animation missionnaire) en geestelijk begeleider van de inlandse zusters. Ten slotte kon de Provincie ook op hem rekenen voor het werk als secretaris. Maar hij klampte zich niet vast aan zijn werk. In 2008 schreef hij: “Hoewel ik mij steeds thuis gevoeld heb in Congo vind ik dat men zich niet moet vastklampen noch aan zijn taak noch aan zijn plaats. Ook denk ik dat onze “jonge Provincie” met confraters afkomstig uit de vier continenten in volle vrijheid haar eigen weg moet kunnen zoeken en vinden. Nu mijn gezondheid het steeds meer laat afweten en ik regelmatig medische controle moet ondergaan is het ogenblik gekomen naar België terug te keren”. Marcel beleefde nog veel gelukkige jaren in ons huis in Rumbeke, waar hij zelfs nog een jaar interim Rector werd. Maar zijn gezondheidstoestand liet het steeds meer afweten tot hij enkele maanden geleden voor verzorging naar Torhout ging. Daar drong een opname in het ziekenhuis zich al spoedig op en zijn toestand werd steeds erger. Nu treuren niet alleen veel confraters maar ook heel veel Congolese priesters en leken. Heel veel zusters ook, allemaal mensen voor wie Marcel een echte ‘hoeder’ was, een herder door wie ze dichter bij de Heer gebracht werden.

Erik Maes

 

 

 

Pater Urbain IngelbeenIngelbeen Urbain 3

 

Geboren te Geluwe op 27.05.1927

Religieuze geloften op 08.09.1946

Priester gewijd op 29.07.1951

Missionaris in Congo (KAS) van 1953 tot 2002 en daarna in België.

Overleden in Torhout op 01.06.2017


Urbain groeide op in Geluwe, als oudste in een gezin met zes kinderen dat zeer vertrouwd was met Scheut. Na zijn humaniora in het college van Menen trok hij dan naar het noviciaat van Scheut, en na zijn klassieke priesteropleiding volgde hij nog een jaar pedagogie in de Normaalschool van Torhout, tot hij in 1953 kon vertrekken naar het bisdom Kabinda waar hij heel zijn missieleven zou doorbrengen.

Eerst was hij vijf jaar schooldirecteur in Lusambo-Centre, en van het begin af aan deed hij alles zeer nauwkeurig en perfect. Hij kreeg er dan ook de bijnaam “Le Sérieux”, en dat zou hij zo blijven doen. Misschien daarom dat hij daarna 11 jaar lang in de Normaalschool van Kabinda blijft, eerst als directeur en toen het tijd werd om zijn plaats af te staan aan een Congolees priester als leraar en econoom. Die functie combineerde hij de laatste jaren ook met deze van Viceprovinciaal.

In 1970 wordt Urbain dan pastoor in Lusambo-centre, en van 1976 tot 1978 in Kabinda Saint-Martin. Daarna begon dan weer een heel nieuwe periode want zeven jaar lang was hij diocesaan coördinator van de katholieke scholen. Het was een delicaat werk na die enkele jaren dat het onderwijs genationaliseerd was, maar het lag hem. Hij installeerde zijn bureel in de vroegere huiskapel van de bisschop. Van achter zijn bureau, waarop enkel een potlood en een blad papier lag, ontving hij er honderden directeurs en leerkrachten. Hij luisterde aandachtig en trachtte meteen het probleem op te lossen, geen half werk, niets op de lange baan schuiven, maar meteen orde op zaken, en achteraf geen commentaar of geroddel en geen rondslingerende dossiers.

Urbain straalde rust en vertrouwen uit. Hij aanvaardde de talenten die de Heer hem toevertrouwde en ging ermee aan de slag, zonder omhaal van woorden, zonder bijbedoelingen, want zoals in het boek Wijsheid geschreven staat, de ware achting bereikt men door inzicht in Gods bedoeling en door een voorbeeldig leven. Zijn rechtlijnigheid en werkkracht brachten meer klaarheid in de vele meanders van het labyrint dat het onderwijs was toen hij er coördinator van werd.

Na die zeven jaar vertrok hij dan naar een verafgelegen missiepost met het talent van pastoor van te lande. Eerst een jaar in Cyungu en dan 8 jaar in Kalonda Sainte-Thérèse. Daar ontpopt hij zich tot de grote wegenwerker. Hij leidt er de werken voor het aanleggen van een kilometerlange dijk door het moeras. De plannen ervoor lagen meer dan dertig jaar te wachten in een schuif, want niemand zag er doen aan. Urbain begon eraan omdat de bisschop het vroeg, en omdat die dijk de mensen zoveel zou helpen. Toch blijft voor Urbain de catechese zijn belangrijkste zorg. Spreken over Jezus, over de Kerk en de sacramenten, bij de kinderen, de jongeren, hun ouders. En dat alles moest heel precies zijn.

Op de duur vermoeien de lange reizen hem te veel en in 1993 wordt hij in Cilomba benoemd, meer in de bewoonde wereld. Hij blijft er nog negen jaar tot zijn gezondheid een deuk krijgt en hij naar België moet terugkeren. Maar ook daar gaat hij onmiddellijk aan de slag en hij wordt aalmoezenier van het WZC ‘Huize Zonnelied’ in Ieper, tot hij in 2010 ook daar om gezondheidsredenen ontslag moet nemen. Van dan af blijft hij op rust in het missiehuis van Torhout.
Leven is weven en stervend zijn stuk afgeven. Het boek Wijsheid zegt: “Uiteindelijk zal de Heer opstaan en ieder mens geven naar zijn verdienste”. Alleen God kan dat. Veel of niet veel, maar wat Urbain kreeg om te beheren: een school, een onderwijsnet, de kathedraalparochie, een binnenmissie… hij deed eenvoudigweg wat moest gedaan worden. Men kon erop vertrouwen. Trouw aan zijn roeping en met diepe eerbied voor ieder mens. Een kleine week na zijn 90ste verjaardag keerde hij naar de gever van het leven terug. Daar mag hij nu genieten bij zijn Heer die hij heel zijn leven zo trouw gediend heeft.

Jef LAEVENS

 

 

 

Pater Urbain De MeyDE MEY Urbain

 

Geboren te Zomergem op 16.03.1928

Religieuze geloften op 08.09.1949

Priester gewijd op 12.09.1954

Missionaris in Congo (NC) van 1956 tot 1990 en daarna in België

Overleden in Torhout op 22.05.2017

 


Samen met zijn broer en twee zussen groeide Urbain op in het gezin van een onderwijzer in Zomergem. Zijn humaniora deed hij in het Sint-Lievenscollege te Gent en trok daarna naar Scheut. Na zijn theologie bekwaamde hij zich nog een jaar in de pedagogie in de normaalschool van Torhout vooraleer naar het bisdom Lisala te vertrekken.

Zijn eerste jaren bracht Urbain dan ook door in het onderwijs, eerst als directeur van de lagere school in Ebonda en vervolgens als leraar in het kleinseminarie van Bolongo. Toen kwam hij, na zeven jaar, voor het eerst op verlof, en daarna werd hij “DE reispater” die hij altijd zou blijven, achtereenvolgens in Lisala, Bumba en Boso Modanda.

Jarenlang trok Urbain van dorp tot dorp om er de mensen te ontmoeten in hun natuurlijke omgeving. Onder zijn bezieling werd elk dorp een model van een christelijke gemeenschap onder de leiding van een catechist die door Urbain gevormd en begeleid werd. Die vorming van plaatselijke voorgangers werd zijn levenswerk. Heel regelmatig riep hij die naar de missie voor een vormingssessie, en daarna trok hij zelf de brousse in. Bij die mensen voelde hij zich thuis. Vooral ’s avonds rond het vuurtje kon hij luisteren naar het leven van de mensen, hun geschiedenis, hun wedervaren, hun lief en leed, hun vreugden en hun pijn. Hij werd als het ware een deskundige in het peilen en aanvoelen van de ziel van de dorpelingen. Zonder vlug te oordelen kon hij zich inleven in verhalen van tovenaars en slechte geesten. In “die ziel van de mensen” wilde Urbain de blijde en bevrijdende boodschap van Jezus brengen.

Als hij dan ’s zondags op de missie bij zijn confraters terugkwam, kon hij bij een frisse pint bier of bij het tafelen, allerlei anekdoten vertellen. Hij had altijd wel iets heel speciaals meegemaakt, en dat kon hij dan met de nodige mimiek in alle geuren en kleuren vertellen zodat je het hem opnieuw zag beleven. Dat gebeurde altijd met veel enthousiasme en humor maar toch ook altijd met heel veel respect.

Urbain hield van mooie liturgische vieringen met aangepaste gezangen en een actieve deelname van de mensen. Die werden steeds minutieus voorbereid en nauwkeurig uitgevoerd. Het moest allemaal perfect zijn. De ijver en het enthousiasme waarmee hij naar de dorpen trok werkten aanstekelijk. Er ging bezieling van uit die oversloeg op de vele gemeenschappen. Daarom ook werd hij overal zo graag gezien. En de confraters hadden hem zo graag omwille van zijn opgeruimd karakter en grappige anekdoten.

Maar dat leven van Urbain in de brousse eiste ook zijn tol. Zijn maag verdroeg niet altijd wat hij te eten kreeg en hij moest daarvoor dan ook heel goed opletten. Tot tweemaal toe moest hij vervroegd op verlof komen. Het verdict luidde: ondervoeding en uitputting. Dat was voor Urbain telkens een heel harde noot om kraken, want hij wilde bij zijn mensen blijven, hij wilde het niet opgeven. Toen hij de laatste keer, en dan definitief naar België moest komen wegens hartproblemen, was het alsof de wereld voor hem instortte. Gelukkig dat hij toch de moed opgebracht had een punt te zetten achter zijn leven in de missie want kort daarna verplichtten twee heel zware hartinfarcten hem tot een lange revalidatie.

Ten slotte kon hij zich dan nog 16 jaar met hart in ziel inzetten in zijn geboortedorp als aalmoezenier van het WZC Zomerheem. Ook hier beleefde hij alles als missiewerk, totaal beschikbaar voor alle bewoners, bescheiden zoals hij altijd was, met een sterk geloof en in totale gegevenheid. Het is dan ook niet te verwonderen dat hij er op handen gedragen werd.

Maar ook daar maakte zijn gezondheidstoestand een einde aan. De ziekte van Parkinson woog steeds zwaarder en in 2008 ging Urbain op rust in het Missiehuis van Torhout. Spreken, eten, drinken, bewegen, het werd allemaal steeds moeilijker, en in de avond van 22 mei is hij dan heel rustig gestorven. Een leven van liefde en gegevenheid aan de anderen, aan de armen en de kleinen is niet zomaar voorbijgegaan. Het is als een graankorrel in de aarde die eeuwige vruchten zal voortbrengen.

CYRIEL STULENS

 

 

 

Pater Michel HaeltermanHaelterman Michel 4

 

Geboren te Zandbergen op 01.02.1934

Religieuze geloften op 08.09.1954

Priester gewijd op 02.08.1959

Missionaris in de Filipijnen van 1960 tot 2007

Overleden in Zuun op 15.05.2017

 


Op 8 september 1953 trad Mike binnen in het noviciaat van Zuun en begon er zijn opleiding om missionaris te worden. Op 18 november 1960 vertrok hij dan naar de Filipijnen. Met uitzondering van één jaar, toen hij missiepropagandist was in Oost-Vlaanderen, was hij steeds werkzaam in de parochiepastoraal, tot hij in 2007, gedwongen door zijn gezondheidstoestand, definitief naar België moest terugkeren. Zijn gouden hart, vol geloof in Christus en liefde voor zijn mensen, bleef echter steeds in de Filipijnen.

Na de taalschool gevolgd te hebben in Taytay was hij gedurende drie jaar onderpastoor in Natonin en vervolgens drie jaar pastoor in Pinukpuk. Toen werd Mike gevraagd voor de missiepropaganda in Oost-Vlaanderen maar na een jaar mocht hij terugkeren naar Pinukpuk als pastoor. Hij zou er nog 7 jaar blijven tot hij pastoor werd in Bulanao en vervolgens in Kabugao en Agbannawag.

Duizenden kilometers heeft hij afgelegd met de jeep, maar ook veelal te voet, om er zijn christengemeenschappen te bezoeken, het evangelie te verkondigen, de sacramenten toe te dienen, maar ook om hun lichamelijk welzijn te verbeteren. Hij bracht de mensen samen en moedigde hen aan om hun toestand te verbeteren. Zo heeft hij zeker in een 20-tal gehuchten, in samenwerking met de bevolking, waterputten gegraven, soms wel tot 40 meter diep, opdat zijn mensen dichtbij drinkbaar water zouden hebben. Als hij van zijn mensen sprak, dan zei Mike: “Wij Kalinga’s”, en ze beschouwden hem ook als één van hen. Zo kon hij ook voor vrede en verstandhouding zorgen onder hen en hun bemiddelaar zijn bij stammentwisten. Hij was hun “Peace-pactholder”. Toen eens twee dorpen in zware ruzie lagen slaagde hij erin de ouderlingen van beide groepen samen te brengen om te onderhandelen. Dat kon lang duren, tot na middernacht, maar toen alles geregeld was begonnen ze de varkens te slachten en samen te eten. Een paar varkens gingen er wel aan maar vele mensen waren gered.

Enkele jaren geleden moest Mike noodgedwongen naar België komen. Jaren lang bleef hij, tegen alle hoop in, denken opnieuw te kunnen vertrekken, naar “zijn” mensen, daar waar hij thuishoorde. Voor wie hij zich jarenlang volledig ingezet had. Toen ik zag en voelde dat Mike hier niet gelukkig was, dat hij iets mankeerde, vroeg ik hem: “Wat is er Mike, zit je zonder tabak?” Neen zei hij. “Zit je misschien zonder pijp?” “Neen, antwoordde hij, ik zit zonder compagnie”. Wij dachten misschien dat hij veel dingen niet goed meer wist, maar het voornaamste wist hij misschien beter dan wij.

Nu is Mike naar de hemel en vast en zeker zit hij daar niet zonder compagnie. Hij zit er weer bij zijn volk. Hij zal er niet meer moeten onderhandelen in peace-pactvergaderingen want er zal echte vrede zijn. Nu kan hij er volop genieten van wat hij hier op aarde 47 jaar lang bij “zijn Kalinga’s” heeft trachten te verwezenlijken.

Louis MELLEBEEK

 

 

 

Pater Jan Dufraing                                                          

 

Geboren te Meer op 11.11.1927

Religieuze geloften op 08.09.1948

Priester gewijd op 02.08.1953

Missionaris in Congo (Inongo en KIN) van 1956 tot 1994, in Tsjaad van 1995 tot 2000 en daarna in België

Overleden te Malle op 30.04.2017

 

Na zijn theologische vorming behaalde Jan nog een kandidatuur in de pedagogische wetenschappen aan de KU Leuven en vertrok dan als missionaris naar het bisdom Inongo. Eerst was hij een tijdje reispater in Oshwe en Ireko maar werd al spoedig Directeur van de Normaalschool in Bokoro, later van het kleinseminarie in Bokoro en ook van het college in Kutu. In 1964 werd hij dan Inspecteur van het Katholiek Onderwijs van het bisdom en ook Provinciaal.

In 1974 verplaatste het werkgebied van Jan zich naar Kinshasa waar hij achtereenvolgens pastoor, Directeur van het Institut Supérieur de Sciences Religieuses, en ook opnieuw Provinciaal werd. In 1994 ging hij het nog verder zoeken en Kameroen werd zijn nieuwe Provincie, maar hij werkte er vooral in de parochiepastoraal in Tsjaad.

Voor zijn uitvaart koos Jan zelf de evangelietekst: “Ik heb jullie de taak gegeven erop uit te gaan en vrucht te dragen, vruchten die blijvend zijn.” Deze taak heeft Jan heel trouw vervuld, en ze heeft inderdaad overvloedig vrucht gedragen. Hij was onvermoeibaar en geen enkele inspanning was hem teveel. Als inspecteur van de scholen, en later als Provinciaal moest hij soms heel grote afstanden afleggen om iedereen te bezoeken. Het waren meestal reizen van weken. Hij bezocht alle missies driemaal in het jaar, daar kon je op rekenen. Meestal per snelboot of per moto. Dat moet hem heel zwaar gewogen hebben, maar hij klaagde nooit, en deed het plichtsbewust.

Soms gebeurden wel van die onvoorziene dingen. Zo ging hij eens per moto op inspectiebezoek naar de scholen van Tandembelo, in het binnenland van Taketa. Om er te geraken moest hij over een weg waar over een afstand van 40 km geen enkel dorp was. Halfweg kreeg hij platte band, haalde de binnenband eruit en zag dat die onherstelbaar was. Techniek was niet zijn sterkste kant, maar toch had hij een ingenieus idee. Hij stak de buitenband vol gras en mos die hij langs de weg vond, en kon de inspectie van de school doen zoals het hoorde. Je moet er maar aan denken. En zo deed Jan regelmatig nieuwe ideeën op. Hij had steeds een notaboekje in zijn hemdzakje, waarin hij alles opschreef wat wij als opmerking hadden. Hij aanvaardde die niet alleen, maar hield er ook steeds rekening mee. Hij was niet de man die dacht alles beter te weten.

Als hij een homilie of een conferentie gaf, dan kon je erop aan dat die steeds naar de kern van de zaak ging. Geen holle woorden. Hij meende wat hij zei. Hij had principes, en hield er zich aan.

Eens terug in Europa werd hij nog aalmoezenier in het RVT Mayerhof te Mortsel en later aalmoezenier van de zusters van de H. Vincentius in Deftinge. In 2007 kwam hij dan op rust in Schilde waar zijn gezondheid stilaan aftakelde. De laatste dagen van zijn leven was zijn grootste pijn een gevoel van eenzaamheid, van verlaten zijn. Misschien was het wel eerder een stilaan bewust worden dat hij alles moest achterlaten waarvoor hij geleefd had. Ondanks het heel regelmatig bezoek van familie en confraters in het hospitaal, en in ‘De Dennen’ waar hij de laatste dagen verbleef, voelde hij zich toch door iedereen verlaten. Het moet dit gevoel geweest zijn dat Jezus op het kruis deed uitroepen: “Mijn God, waarom heb je me toch in de steek gelaten?” Met diezelfde pijn leefde Jan heel dicht bij de Heer. Hij schonk zijn lichaam aan de wetenschap. Het was het laatste dat hij nog kon weggeven. Dank je Jan, meer kon je echt niet meer geven. Anderen zullen nu, dankzij jouw lichaam anderen beter kunnen helpen in hun lijden. Was het niet juist daarvoor dat je Gods roeping gevolgd hebt en naar Inongo, Kinshasa en Tsjaad gegaan bent?

Paul VANDEREEDT