Pater Frans HölscherHlscher Frans

 

Geboren in ‘s-Gravenhage op 11 mei 1928

Religieuze geloften op 8 september 1951

Priester gewijd op 5 augustus 1956

Missionaris in Guatemala, de USA en Nederland

Overleden in Teteringen, Nederland op 23 oktober

 

Frans zag het levenslicht op 11 mei 1928, en groeide op in een hecht gezin van acht kinderen, waarvan hijzelf de oudste was. Al op prille leeftijd groeide in hem het verlangen om priester te worden. Dat aanvankelijk nog vage verlangen kreeg een vaste vorm door het lezen van “De Annalen van Sparrendaal” met zijn verhalen over de Missie en het werk van de missionarissen: Hij wilde ook missionaris worden, en zijn keuze viel op Scheut.

Frans ging dus studeren bij onze paters op Sparrendaal en later in Nijmegen. Na zijn studie Filosofie en Theologie voltooid te hebben, werd hij op 5 augustus 1956 priester gewijd. Frans was klaar om naar de Missie te vertrekken, het liefst naar China. Maar de politieke situatie daar in die jaren maakte dat onmogelijk. Het werd eerst afwachten, en later dan maar een tijdje missieanimatie in Nederland. Pas na vier jaar kreeg Frans de kans om dan eindelijk naar de Missie te mogen vertrekken: het werd Guatemala. In oktober 1960 vertrok Frans per boot naar zijn missieland.

Na een periode van taalstudie kreeg Frans zijn eerste benoeming: eerst als kapelaan bij Piet van Santvoort in Escuintla, later als pastoor in Santa Lucia Cotz en tenslotte in de grote stadsparochie “Buen Pastor”.

Frans was voor zijn parochianen een zorgzame herder die meeleefde met het wel en wee van zijn schapen. Wee was er veel, want het land maakte roerige tijden door. Ook de kerk in Latijns-Amerika. Na de kerkvergadering in Medellín ging daar een nieuwe wind waaien. Frans was te behoudend van nature om daar van harte in mee te kunnen, en daar had hij het moeilijk mee. Totdat hij de kans kreeg over te stappen naar de USA, waar Frans nog vele jaren mooi apostolaat heeft kunnen doen bij de latino’s in Texas. In 2001 ging hij op rust naar Nederland. Van rusten kwam niet veel terecht, want hij maakte zich nog dienstbaar in naburige parochies zoals Udenhout en Maurik. Vanuit Sparrendaal verhuisde hij mee naar Teteringen, waar hij het erg naar zijn zin had. Zijn hobby was koken en daar hebben wij vaak van kunnen genieten. Een jaar geleden maakte Frans een val. Hij bleek niet alleen een gebroken sleutelbeen te hebben, maar ook nog een klein gezwel op zijn longen. Vanwege zijn al hoge leeftijd wilde hij geen chemokuur. Tot een paar maanden geleden bleef hij nog diensten verrichten aan de communiteit als chauffeur. Totdat dat niet meer ging omdat hij veel pijn had. Frans heeft tijd gehad om afscheid te nemen van zijn familie waarmee hij een sterke band had. In de morgen van 23 oktober ging hij rustig en stil van ons heen. Moge hij nu rust en vrede vinden in Gods nabijheid.

Joep VAN GAALEN

 

 

 

Pater Eugeen Van AckereVan Ackere Eugeen

 

Geboren in Waregem op 12 juli 1939

Religieuze geloften op 8 september 1961

Priester gewijd op 7 augustus 1966

Missionaris in de Filipijnenvan 1967 tot 2019

Overleden in Baguio City ( Filipijnen) op 1 oktober 2019

 

Wie pater Eugeen gekend heeft, herinnert zich waarschijnlijk vooral zijn enthousi-asme en onverwoestbare levensmoed. Voor Eugeen was er altijd een hoop werk aan de winkel, en het moest vooruitgaan. Met halve maatregelen was hij niet tevre-den, en het leven moest ten volle geleefd worden. Daaruit kwam ook zijn verlangen naar de Missie. Mensen moesten niet aan hun lot worden overgelaten, maar het volle leven kunnen ervaren. Dat volle leven was te vinden in geloof en betrouwen op God, en op de mensen die God op onze weg zet. Dit was en bleef Eugeens diepe missionaire motivatie.

In 1967 vatte hij zijn taak aan, eerst als medepastoor in Natonin, daarna als pastoor in een veelheid van parochies en ook als ziekenhuispastor, steeds in de Bergpro-vincie in de Filipijnen. Uit zijn missionaire motivatie kwam zijn houding van naar de wereld en de mensen te kijken met een milde humor, met een ondertoon van be-trouwen dat het echte leven wel kon doorgaan, humor om de spanning te ontladen en dingen te relativeren. Wat de zaak niet diende, daar had hij geen tijd voor. Hij was verdraagzaam en mild voor andere opinies, ook op het gebied van geloof, want ach-ter alle verschillen zag hij de mens die niet nodeloos moest belast worden, maar verdiende geholpen te worden en gesteund door medemensen. Toch had hij geen schrik van confrontatie. In de Filipijnen bracht dit hem soms in moeilijkheden of ge-vaar, en hij wist dat hij het spel veilig moest spelen, maar onrecht of gesjoemel door de vingers zien, dat hoorde er bij hem niet bij.

Voor zijn confraters kon Eugeen een vriend zijn in goede en kwade dagen en een wijze raadgever, juist omdat hij essentiële dingen kon onderscheiden van bijkom-stigheden. Geen pietluttigheden voor hem. Zijn humor kon een mens overtuigen een of ander “idée fixe” te laten varen, of angst en onrust te overkomen en voort te doen. ‘Voortdoen’ was voor Eugeen een werkwoord dat altijd op zijn plaats was. Dat was van belang.

Soms raakte hij aan het vertellen over vroeger, over zijn jeugdjaren thuis in Ware-gem en ook over de studiejaren in Scheut. Het waren de fameuze zestiger jaren. Dat was de tijd van de “jonge vrijgevochten generatie”. In de Chiro van Waregem leerde hij het bruisend jonge leven kennen. In ‘het klooster’ (wat een beetje raar klinkt voor een Missiehuis van Scheut) sloeg in die tijd de discipline soms helemaal om. Die-zelfde geest is met Eugeen naar de Filipijnen meegereisd, en heeft ook daar leven, hoop en toekomst gebracht. Overal was hij de promotor van een gemeenschapsle-ven dat iedereen ten goede kwam. Waar Eugeen was, kon men zich verwachten aan een gezonde vriendschappelijke sfeer. Hij had veel vrienden die hem levens-lang gesteund hebben.

Toen studenten in de geneeskunde vanuit Kortrijk naar de Filipijnen kwamen, in een uitwisselingsprogramma van de universiteit, en een gids zochten om iets van het inlands leven mee te maken, was “Father Eugene” hun man. Bij hun thuiskomst hoorde ik hun rapport in Kortrijk, en een van de hoogtepunten van hun verblijf in de Filipijnen was wat ze beleefd hadden met Fr. Eugene! Ook zij hadden aangevoeld hoeveel sympathie en genegenheid Eugeen had voor de mensen.

Toen hij in 2016 op zijn gouden jubileum in Oedelem gevraagd werd of hij nog terug zou gaan naar de Filipijnen, zei hij, op zijn gekende manier: “Ja, ik ga terug. Ik ben nu wel de precieze datum vergeten, maar ginder zijn er nogal wat die de datum van mijn terugkeer beter kennen dan ik.” Op datzelfde jubileum waren er ook verschil-lende Filipino’s aanwezig die in Europa woonden en werkten. Ze wilden erbij zijn, bij de viering van ‘Father Eugene’. De meesten had hij op een of andere manier geholpen om “iemand” te worden. Dat was zijn grootste geluk en fierheid, en terecht.

Onvermoeibaar was hij in de weer om bij zijn volk te zijn en hen dienst te bewijzen. Uren heeft hij te voet gelopen of op zijn motor over nauwe gladde bergpaadjes gere-den, niet zonder gevaar. Dat was allemaal geen probleem. De laatste jaren was Eu-geen aalmoezenier van het hospitaal van de universiteit Saint Louis in Baguio. Mensen van het binnenland, uit afgelegen missieposten, kwamen voor medische verzorging naar het hospitaal in Baguio. Voor velen was de stad vreemd gebied en in een hospitaal voelden ze zich onzeker. En dan ontmoetten ze “Father Eugene” die hen aansprak in hun eigen dialect, en die op de hoogte was van hun toestand. En, er kon gepraat worden over de problemen en naar oplossingen gezocht worden.

Het is in het Missiehuis van Scheut in Baguio City - het bekende Home Sweet Ho-me - dat Eugeen op rust ging. Hij kon door de stad wandelen en telkens weer de groet horen van mensen die hem kenden en waardeerden om wat hij voor hen ge-daan had of met wie hij had samengewerkt. Daarom bleef hij graag in Baguio.

Zijn pensioen gaf hem ook de kans zijn speciale hobby te beoefenen. Hij had daar-bij een zekere koppigheid die wat vreemd aandeed, maar waarvan hij dacht dat het toch eens vrucht zou dragen. En die hobby was: zijn zoektocht naar het ‘perpetuum mobile’! Tientallen pogingen deed hij om een oplossing te vinden. “Dat is onmoge-lijk,” zei men hem, “en zoveel wetenschappers hebben ernaar gezocht en het niet gevonden.” Maar dat was voor Eugeen juist een aanmoediging: “Elke vernieuwing is er ooit gekomen,” zei hij, “omdat iemand het niet opgaf naar het zogezegde onmo-gelijke te zoeken en te blijven zoeken.”

Hij ging terug, hoewel men kon voelen dat het niet zo goed ging met de gezondheid. Hoezeer hij ook gehecht was aan vrienden en familie in België, toch was voor hem “voortdoen” van belang, en daarvoor moest hij in de Filipijnen zijn. Maar de reis ging verder dan wat hij had bedoeld, en een week of twee na zijn aankomst is hij weer vertrokken naar een definitieve bestemming. Moge hij daar nu het volle leven ont-vangen en genieten van het goede gezelschap, de voltooiing van zijn ambities als missionaris, als brenger van goed nieuws.

Hubert DECLERCK

 

 

 

Pater Jean Van WeyenberghVan Weyenbergh Jean

 

Geboren in Lebbeke op 5 maart 1931

Religieuze geloften op 8 september 1951

Priester gewijd op 5 augustus 1956

Missionaris in Congo van 1957 tot 2006

Daarna rustend priester, in Sint-Pieters-Leeuw (Zuun), waar hij overleden is op 30 september 2019

 

Jan is geboren in Lebbeke op 5 maart 1931. Hij was de tweede van een groot gezin. Toen Jan 17 was, stierf zijn vader. Moeder bleef alleen achter met acht kinderen. Jan heeft zich dan heel edelmoedig ingezet om zoveel mogelijk moeder te helpen: in de vakantie, maar ook voor en na de schooluren. Daar bleek al heel duidelijk dat Jan een harde werker was en heel edelmoedig.
Hij wou missionaris worden maar hij leefde in tweestrijd: zijn roeping volgen of in België blijven om moeder bij te staan. Zoals Elisa, die koos om het bedrijf van zijn vader met de vele ossen achter te laten en de profeet Elia achterna te gaan, koos Jan ervoor om het ouderlijk bloemenbedrijf achter te laten en Christus te volgen. Maar, bloemen zou hij altijd heel graag blijven zien.
In Scheut kreeg hij de klassieke opleiding: eerst het noviciaat in Zuun in 1950-1951. Daarna twee jaar filosofie in Néchin. Zijn theologie deed hij in Scheut, maar vooral in Leuven. Hij werd priester gewijd in Scheut op 5 augustus 1956, en vertrok einde 1957 naar de Oost-Kasaï. Hij zou er 49 jaar blijven. Hij begon als schoolpater in de missie van Tielen St. Jacques, later Tshilomba genoemd. Hij zou er ook de laatste 15 jaar van zijn actief missieleven doorbrengen als rector van die gigantische missie.
Jan heeft nooit in de stad gewoond. Zijn hele Congoperiode leefde hij tussen de gewone mensen, voornamelijk de boeren. In het zuiden van de Kasaï is er zeer vruchtbare grond, en de mensen leven er van landbouw. Jan voelde zich opperbest tussen die eenvoudige mensen. Hij was jarenlang reispater en hij had een goed contact met de inwoners van de vele dorpen in het binnenland. Zo leerde hij hun gebruiken en gewoontes kennen. Als priester had hij veel vertrouwen. Hij kende heel veel mensen met naam en toenaam, en ook de relaties en verwantschappen tussen hen. Hij had een zeer sterk geheugen, en 20 of 30 jaar later kon hij zich nog precies de namen van velen herinneren, alsook hun dorp van oorsprong en de details over hun leven of familie. En dat maakte Jan erg geliefd.

Op de fameuze missie van Tubeya waren de confraters begonnen met een veestapel. Sommige bewoners van Tubeya hadden ook vee en konden van de infrastructuur en de zorgen van de missie genieten voor hun eigen vee. Jan heeft daar 10 jaar gewoond, en velen met raad en daad bijgestaan om vooruit te komen in het leven. Van daaruit werd Jan naar de missie van Kamiji gestuurd waar de Scheutisten de veestapel van het bisdom in handen hadden. Er waren daar duizenden koeien. En er was op een bepaald moment nood aan een confrater die de boerenstiel kende, en zich daar wou inzetten. Zoals overal voelde Jan zich op zijn gemak tussen de veehouders en de plaatselijke bevolking.
Na 24 jaar in de volle natuur geleefd te hebben, wachtte hem een andere taak in 1981. Hij werd pastoor in Lukalaba, op een 50 km van de grote stad Mbuji-Mayi. Lukalaba was een tamelijk nieuwe missiepost met een dichte bevolking. Zoals elke pastoor was Jan bedrijvig in de pastoraal om het Woord Gods te verkondigen en om van de mensen goede christenen te maken. Maar zijn aandacht ging ook naar sociaal werk. Hij bouwde er een groot centrum voor gehandicapten dat door de inlandse zusters bestuurd werd.
Op jonge leeftijd had hij al de missie van Mulundu helpen bouwen. Zijn handigheid en doorzettingsvermogen waren al lang opgemerkt door zijn oversten. Zo werd op hem beroep gedaan om het nieuwe provinciale huis in Mbuji-Mayi te bouwen. Gedurende jaren zou Jan daar elke week een paar dagen aan wijden. Eerst vanuit Lukalaba (op 50 km) en later vanuit Tshilomba (op 150km). Niets was te zwaar of te ver. Jan zette door: zoals de boer uit ‘de ballade van de boer’ van Werumeus Buning. Hij ploegde voort tot het werk af was.
In Tshilomba heeft Jan nog vele mooie jaren gekend als rector. Er werden daar geregeld retraites en sessies georganiseerd. Jan zorgde ervoor dat iedereen een nette kamer had en dat er smakelijke maaltijden werden geserveerd. Hij had daar ook een grote tuin met overvloed aan inlandse en Europese groenten. Zoals de maaier uit het evangelie heeft Jan veel gezaaid, letterlijk en figuurlijk.
Toen hij 75 was kwam hij naar België, naar Zuun. Niet om te rusten maar om in dienst te staan van de gemeenschap. Hij zou bijna tien jaar lang de hovenier van deze gemeenschap zijn. Ook als hij niet goed ter been meer was, deed hij naarstig voort. Als het moest, zat hij uren op zijn knieën tussen de planten. Tot het niet meer ging.
De laatste jaren was Jan ernstig ziek. Maar hij vocht tegen de ziekte met wisselend succes. Hij gaf niet op. Hij verbeet de pijn en de vermoeidheid en kwam telkens weer naar boven. En dan, genoot hij weer zichtbaar van het leven, van een goede babbel met de confraters, van de bezoeken en van al wat de moeite waard is. Tot het einde naderde.

Vermeldenswaardig, een fragment uit het gedicht van Werumeus Buning: ‘De ballade van de boer’:

Heer God! De boer lag in het gras,
Toen droomde hij deze droom:
Dat er eindelijk een rustdag was
Naar apostel Johannes' woord.
En de kwaden gingen hem links voorbij
En de goeden rechts voorbij,
Maar de boer had zijn naam nog niet gehoord
En de boer hij ploegde voort.
Eerst toen de boer die hemel zag
Zo vol van lichte schijn,
Toen spande hij zijn ploegpaard af,
En hij veegde het zweet van zijn voorhoofd af,
En hij knielde naast zijn stilstaand paard,
En hij wachtte op Gods woord.

Jan heeft nog een tijd ‘voortgeploegd’. Hij gaf niet op tot hij wist dat de Heer hem riep, dat het Licht naderde. Hij heeft dan heel bewust zijn familie geroepen en afscheid genomen. Ook van de confraters en van het leven, en alles vol overgave in de handen van God gelegd. En hij wachtte op Gods Woord. En dat riep hem op de laatste dag van september. In het begin van de herfst, als de bladeren beginnen te vallen.
“Jan, je bent nu bij de Heer die je zo trouw gediend hebt. Misschien kun je hem een lapje grond vragen waar je bloemen kunt planten en prei en selder en veel rabarber om uit te delen. Want, werken en zorgen en uitdelen dat deed je zo graag.”
Jan, je was een goede confrater en een milde en edelmoedige man. Rust nu in vrede.

Frans VAN HUMBEECK

 

 

Pater Clem SchreursSchreurs Clem

 

Geboren in Zutendaal op 10 januari 1931

Religieuze geloften op 8 september 1951

Priester gewijd op 5 augustus 1956

Missionaris in de Filipijnen van 1957 tot 1959, en daarna in Indonesië

Overleden in Jakarta, Indonesië op 18 september

 

Clem groeide op in een katholieke familie in Zutendaal, met drie broers en zes zussen, waarvan er drie intraden in het klooster. Bij Clem lag het vast, na zijn middelbare studies in Genk wilde hij naar Scheut om missionaris te worden. Omdat hij na zijn studies lang moest wachten op zijn visum voor Indonesië, vertrok hij in 1957 naar de Filipijnen en werkte er bij de “School press” in Baguio.

In 1959 kon hij naar Indonesië. Volgens tijdgenoten viel Clem in de priesterstudies helemaal niet op, maar in Indonesië bleek hij zeer getalenteerd te zijn. En, talenten heb je om anderen tot zegen te zijn. Clem woekerde ermee. Hij heeft er veel mensen mee geholpen, maar zelf kon hij er ook van genieten. Altijd keurig en netjes verzorgd, ging hij om met de superrijken, maar ook met de straatarme mensen die hij ontmoette. Overal voelde hij zich op zijn gemak.

Vanaf 1959 was hij twee jaar pastoor in de buitenstaties van Rantepao, Toradja. Daarna tot in 1968 procurator, econoom en secretaris van het aartsbisdom Makassar. Dan kwam hij naar de hoofdstad Jakarta, en daar zou hij zich nog meer kunnen uitleven. Hij stichtte er een Scheutparochie en guesthouse voor Scheut.

Hij heeft veel gedaan voor de katholieke kerk van Indonesië en voor Scheut-Indonesië, maar zijn voornaamste prestatie was wel, de stichting van het pensioenfonds van de Bisschoppenconferentie. Hij zorgde ervoor dat mensen die zich hun hele leven hebben ingezet in de kerk als catechist, zuster, priester of in het katholieke onderwijs, de ziekenhuissector of in één of ander project van de kerk, na een leven van werken, kunnen genieten van een pensioen. Het opzet was de premies veilig te investeren, en dat deed hij in een crematorium, een reisbureau, een bouwfirma en een uitgeverij.

Clem was een goede religieus, elke dag begon met een mis bij de zusters en hij bleef trouw aan zijn brevier. Als Scheutist had hij ook een hart voor de vorming van de Indonesische Scheutisten. Hij werkte zelfs mee aan de geestelijke begeleiding van onze jonge mensen. Hij was een goede confrater en een uitzonderlijke gastheer voor ieder die bij hem kwam logeren. Hij kon moeilijk stilzitten en na zijn pensioen was hij nog medestichter van Fajar Baru, een tehuis voor kinderen.

Clem hield van het leven. Hij kon werken en genieten. En ook als de oude dag kwam met zijn lijden en kwaaltjes, kon hij van dit leven blijven houden, omdat hij geloofde in het andere leven. In het echte leven. Hij mag nu rusten bij de Heer die tot hem zal zeggen: Komt, gezegende van de Vader en ga binnen in de vrede die u wacht. Want wat gij gedaan hebt voor de minsten der mijnen, hebt gij voor mij gedaan.

Theo WYNANTS CICM

 

 

 

Pater Karel DenysDenys Karel

 

Geboren in Roeselare op 25 juli 1920

Religieuze geloften op 8 september 1939

Priester gewijd op 16 juli 1944

Missionaris in China van 1947 tot 1948

Missionaris in de Verenigde Staten van Amerika van 1948 tot 2011

Daarna rustend priester, in Rumbeke en Torhout, waar hij overleden is op 4 augustus 2019.

Vanaf 1977 Ridder in de Orde van ’t Manneke uit de Mane.

 

Pater Karel werd geboren in Roeselare op 25 juli 1920. Na zijn humaniora¬studies aan het Klein Seminarie van Roeselare deed hij zijn intrede in het noviciaat van Scheut in september 1938, in navolging van zijn broer Michiel die 14 jaar ouder was, en al werkzaam in China. Karel legde zijn eerste geloften af op 8 september 1939. Hij studeerde filosofie in Scheut, en theologie in Leuven. Op 16 juli 1944 werd hij priester gewijd, en voor hij naar de Chinese missie vertrok, rondde hij zijn opleiding af aan de normaalschool in Torhout.

Hij vertrok in april 1947 naar China, en begon aan zijn eerste jaar taalstudie in Peking, maar al in juli 1948 verzocht de generaal-overste van Scheut hem China te verlaten omwille van de com¬munistische dreiging, en meteen door te reizen naar de Verenigde Staten van Amerika. Hij deed eerst 4 jaar dienst als medepastoor in Culpeper, Virginia, en daarna 20 jaar, van 1952 tot 1972, in verschillende parochies in Philadelphia.

Daarna begon hij iets meer naar het noordwesten, als pastoor van de pa¬rochie van OLV van Smarten in Detroit, die was gesticht door en voor de Belgische immigranten, voor een groot deel Vlamingen. Hij zou daar 20 jaar zijn. Het was de tijd toen vele Anglo-Amerikaanse families, ook Belgische immigranten, de stad verlieten en zich in de randsteden vestigden, weg van de groeiende Afro-Amerikaanse bevolking. Karel probeerde beide culturele groepen tot een christelijke gemeenschap om te smeden. Zijn vriendelijkheid en geduld hielpen hem daarbij. Hij was de zachtmoedige man met een nederig hart, naar het voorbeeld van Jezus.

Al van bij het begin van zijn apostolaat in Detroit werd hij medewerker, en daarna een tijdlang hoofdredacteur, van de Gazette van Detroit, die was opgericht voor de Vlaamse immigranten. Als verdienstelijke West-Vlaming werd hij, tijdens zijn verlof in 1977, tot Ridder geslagen in de Orde van het Manneke uit de Mane. Dit gebeurde te Diksmuide, waar Karel al tijdens zijn jeugdjaren elk jaar naar de IJzerbedevaart was getogen.

In 1994 – hij was toen 74 jaar – trok hij zich terug in de Father Tailieu Residence in Roseville, niet ver van Detroit. Twee jaar later zou hij verhuizen naar de bakermat van Scheut in Amerika, Missionhurst, in Arlington. Karel was een boekenwurm en had een neus voor archief¬werk. Hij leefde nog 15 jaar mee met het promotiewerk van Missionhurst en de Scheutse gemeenschap van het provinciaal huis.

In 2011 kwam hij definitief terug en vond hij een thuis in de gemeenschap van Rumbeke, op enkele boogscheuten van zijn “roots” verwijderd. Hij was er toen 91, maar nog heel alert en altijd gereed voor een kwinkslag of een zondagse “santé” met de confraters, vooral met zijn wapenbroeder Jules Van Moer¬kercke, die hem enkele weken vroeger naar het Vaderhuis is voorgegaan.

Begin 2014 ging pater Karel naar het Missiehuis van Torhout wonen. Het was op zijn vraag dat men er gestart is met een wekelijkse zangstonde, en hij was er altijd heel graag bij, ook toen hij bijna niets meer hoorde en of zag. Op 21 juli van dit jaar heeft hij nog samen met zijn talrijke familie zijn jubileum van 75 jaar priesterschap kunnen vieren, en enkele dagen erna samen met de confraters zijn 99ste verjaardag. Hij is in de ge¬meenschap van Tor¬hout zachtjes heengegaan in de late avond van zondag 4 augustus 2019.

Jozef LAPAUW en Werner LESAGE

 

 

 

Pater Jacques ParréParr Jacques kopie

 

Geboren in Koekelberg op 1 januari 1927

Religieuze geloften op 8 september 1946

Priester gewijd op 29 juli 1951

Missionaris op de Filippijnen van 1953 tot 1995

Studie- en animatiewerk in Rome van 1995 tot 2007

Op rust in Kessel-Lo van 2008 tot 2017 en daarna in Zuun

Hij overleed er op 25 juli 2019

 

Jacques groeide op in een mooi gezin van drie jongens en drie meisjes. Zijn oudere broer werd diocesaan priester, en zijn jongere broer werd monnik in de abdij van Affligem. Altijd onderhield hij goede contacten met zijn familie. Vooral zijn zussen waren missionaris met hem overal waar hij werkzaam was. Jacques was 40 jaar op de Filippijnen, daarna 12 jaar in Rome en 10 jaar in Kessel-Lo.

Tijdens zo een lang verblijf op de Filippijnen:
* waar verbleef hij?
* wat deed hij?
en vooral,
* wat bezielde hem?

Driemaal werkte hij een drietal jaren in de missieposten in Ilocos Sur, een Provincie aan de westkust van het eiland Luzon. Daarna werd hij benoemd in Conception, een post in de Lage Landen aan de voet van de Bergprovincie. Om naar die post te gaan, moest hij eerst 45 km het openbaar vervoer nemen en dan verder te paard, drie uren, en 15 keren dezelfde rivier oversteken. Tijdens het regenseizoen of na een tyfoon moest hij soms enkele dagen wachten tot het waterpeil laag genoeg stond. Daar heeft hij zijn gelukkigste jaren doorgebracht. Hij kende de inlandse taal Ilocano heel goed, kon luisteren naar de verhalen van de mensen en had veel aandacht voor de noden van de armen. Hij voelde er zich thuis.

Omdat Jacques de Ilocano taal zo goed kende, werd hij na tien jaar benoemd om - in onze taalschool nabij Manilla - die taal aan te leren aan de jongere confraters die bleven toekomen tot rond het jaar 1970.
Na die taalschool ging hij terug naar zijn Ilocano volk. Nadien is hij rector geweest in ons Klein Seminarie van Maryshore op een eiland in het Zuiden. Overal was hij de bezieler van parochies en gemeenschappen.

In 1995 ging hij naar Rome waar hij een doctoraat in spiritualiteit behaalde aan de Teresianum Universiteit. Later gaf hij aan dezelfde universiteit les en deed hij veel animatiewerk bij religieuzen, ook bij eigen confraters. In Rome kwam zijn talenkennis hem goed van pas bij zijn vele contacten en ontmoetingen. Spijtig dat we die vele Gigabytes van zijn hersenen niet op een reeks memory sticks kunnen zetten.

Begin 2008 ging hij eindelijk op rust in Kessel-Lo. Ook daar waren stiptheid en orde voor hem zeer belangrijk. Had dat te maken met zijn geboorte op de eerste dag van het jaar? Elk boek of pen lag op de juiste plaats. Tot de laatste maand van zijn leven, hij was ondertussen naar Zuun gegaan, besteedde hij elke dag enkele uren aan lezing, vooral van filosofische werken. Ondanks zijn altijd drukke agenda vond hij toch elke dag de tijd voor stilte en bezinning. Jacques was een heel verstandig man, maar had vooral veel gezond verstand. Hij was fijngevoelig en wist heel goed wanneer te spreken, maar vooral wanneer te zwijgen als men een opmerking maakte. Mogen wij zijn voorbeeld volgen: spreken als het echt nodig is, en zwijgen als het zo beter is. Spreken is zilver, zwijgen is goud. Hij kon goed joken, een mop vertellen en er zelf hartelijk om lachen.

Altijd onderhield hij goede contacten met familie en vrienden, en vooral de laatste jaren heeft hij veel geskypet met zijn vrienden in Italië.
Veel mensen op de Filippijnen, in Rome en in België bewaren mooie herinneringen aan Jacques. Laten wij de Heer van het Leven danken voor dit rijk en diep bezield missieleven.

Cyriel STULENS

 

 

 

Broeder Paul WostynWostyn Paul

 

Geboren in Torhout op 4 januari 1945

Religieuze geloften op 8 september 1965

Missionaris in Japan van 1973 tot 1986

en daarna in België

Hij overleed te Brugge op 15 juli 2019

 

Paul werd geboren in Torhout op 4 januari 1945. Hij had drie oudere broers en twee zussen; alleen zijn zussen zijn nog in leven. Na zijn humaniorastudies in Torhout trad hij binnen in het noviciaat van Zuun, en legde hij er zijn eerste geloften af op 8 september 1965. Hij studeerde filosofie in Nijmegen en in Scheut-Brussel. Daarna volgden drie jaar theologie aan het CKS (Centrum voor Kerkelijke Studies) te Leuven. In 1970 vroeg hij exclaustratie aan voor drie jaar, en behaalde hij in Genk een diploma van vertaler / simultaan vertaler met een optie voor Duits.

Eind augustus 1973 reisde Paul af naar Japan. Hij kon er meteen beginnen aan zijn studie van de Japanse taal aan de Saint Joseph Language School, gerund door de Franciscanen in Roppongi, Tokyo. Tijdens zijn studies verbleef Paul op de parochie van Matsubara. Hij was er door de confraters en door de parochianen gekend als een vriendelijke en gedienstige man, die ook vlug contacten wist te leggen met universiteitsstudenten zoals Tokyo er vele telt. Na de gebruikelijke twee jaar taalstudie ging hij enkele maanden terug naar België omwille van de grote verandering die in de familie was ontstaan door het overlijden van zijn vader in 1974.

Van 1976 tot 1980 was hij verantwoordelijk voor een CICM-tehuis voor katholieke studenten in Okayama. Tijdens die periode was hij vier jaar professor van Duits aan Okayama-Seishin, een universiteit voor vrouwen, en volgde hijzelf drie jaar cursus van Japanse geschiedenis als vrije student aan de Universiteit van Okayama. Toen hem aan het einde van zijn mandaat werd gevraagd om les te geven aan de Junshin Middelbare School in Himeji, opgericht en gerund door CICM, gaf Paul er de voorkeur aan in Okayama te blijven en er zijn studies verder te zetten.

Zoals hoger gezegd, Paul was een minzame en gedienstige confrater, maar hij was met een zekere koppigheid ook ten volle een missionaris van zijn tijd. Hij had geen boodschap aan religieuze status of kerkelijke structuren. Hij koos ervoor om apart te leven, helemaal ondergedompeld in het Japanse milieu. In 1982 verliet hij dan ook het studentenhuis om alleen te gaan wonen, en in 1983 behaalde hij zijn diploma in Japanologie en Japanse geschiedenis. Hij kreeg een aanbieding om les te geven aan een middelbare school in Okayama, een taak die hij plichtsgetrouw vervulde tot 1986.

De ziekte van zijn moeder deed hem teruggaan naar België, en in 1990 besloot hij er te blijven. Hij vond werk in Leuven als professor van Japanse conversatie en grammatica aan de Katholieke Universiteit. Zijn moeder overleed in 1995. Paul bleef lesgeven in Leuven tot 2003. Maar hij kon zijn talenkennis niet zomaar ongebruikt laten liggen, en ging werken in een voor hem kenmerkende missionaire opdracht: hij werd begeleider op nachttreinen, en later op de Thalys hogesnelheidstreinen, vooral met bestemming Berlijn of Parijs.

Paul was sinds enkele jaren hartpatiënt, en in zijn laatste weken moest hij het rustiger aan doen in afwachting van een nieuwe hartklep. Toen hij niet kwam opdagen in het dispatch center van Thalys in Brussel-Zuid, heeft men hem gevonden in zijn woning in Brugge, maar zijn hart heeft het tenslotte begeven, geen hulp kon nog baten. Paul is gestorven op 15 juli, en werd in alle intimiteit begraven op de stedelijke begraafplaats De Warande in Torhout, naast het graf van zijn vader en moeder.

Moge hij rusten in vrede.

Werner LESAGE

 

 

 

Pater Jules Van MoerkerckeVan Moerkercke Jules

 

Geboren in Beveren-Roeselare op 3 juni 1920

Religieuze geloften op 8 september 1940

Priester gewijd op 27 januari 1946

Missionaris in Congo en in België van 1947 tot 2006

Daarna rustend priester, in ons missiehuis van Rumbeke

In 2016 gevolgd door ons missiehuis van Torhout, alwaar hij overleed op 30 juni 2019

 

Pater Jules werd geboren in Beveren-bij-Roeselare op 3 juni 1920. Op jonge leeftijd verloor hij zijn vader en een broer van hem. Na zijn humaniora¬studies aan het Klein Seminarie van Roeselare bleef hij thuis om te helpen op de hoeve, maar zijn moeder wist dat hij missionaris wilde worden, en raadde hem aan te vertrekken. Hij deed zijn intrede in het noviciaat van Scheut in september 1939. Hij legde zijn eerste geloften af op 8 september 1940, toen de tweede wereldoorlog pas goed begonnen was. Hij studeerde filosofie in Scheut en theologie in Scheut en in Leuven. Op 27 januari 1946 werd hij priester gewijd. Voor hij naar de missie vertrok, rondde hij zijn opleiding af in de Katholieke Aktie Centrale in Roeselare.

Hij vertrok op 18 oktober 1947, maar niet naar de missie van zijn voorkeur, China, omdat de burgeroorlog tussen de Communistische Partij en de Kwomintang er volop woedde. Het werd Congo, in het gebied van Inongo, dat toen nog kerkelijk afhankelijk was van Leopoldstad. De eerste zeven jaar was hij reispater en verantwoordelijke van de buitenscholen in Inongo zelf. Toen, in 1954, het bisdom Inongo werd opgericht, met als eerste bisschop Jan Van Cauwelaert, scheutist, kreeg Jules zijn volgende benoeming als reispater en directeur van de centrale school in Ireko. Na drie jaar werd hij reis- en schoolpater in Lokolama en Nkaw.

In 1959, één jaar voor Congo onafhankelijk werd, werd Jules benoemd als missie-overste in Ireko-Beronge en daarna als overste en reispater in Mpenzwa. Daarna deed hij dienst als reispater in Tolo. Het curriculum van Pater Jules leest als een reis-verhaal, als een voortdurend opstaan en op weg gaan, als een eeuwig op weg zijn. Het was als het ware ingebakken bij Jules: hij ging waarheen zijn oversten hem vroegen te gaan. In 1975 – hij was toen 55 jaar, maar nog altijd zeer gedreven – vinden wij hem werkzaam als pastoor in Taketa en vanaf 1980 tot 1993 als pastoor in Inongo, Saint Albert.

Pater Jules was geliefd bij zijn mensen. Die liefde en bezorgdheid was wederzijds. Hij kon relativeren, had ook de nodige humor om zich door minder gemakkelijke periodes heen te werken. Jules was terecht fier op zijn leven en werk als missionaris, op “zijn” mensen van “de Lac”, maar hij bleef ook met beide voeten op de grond. Dat heeft hij mogen uitspreken toen hij enthousiast deelnam aan het programma “Nonkel Pater” dat in 2012 op een Vlaams TV-kanaal werd uitgezonden.

Hij is in totaal 46 jaar in Congo geweest. In het jaar 1993 – hij was er toen 73 – kwam hij met spoed terug naar België omwille van “iets aan zijn hart”. De inplanting van een pacemaker heeft hem gered. Met spijt in datzelfde hart besloot hij in België te blijven en deed hij nog 12 jaar dienst als aalmoezenier in het Rusthuis in Westkapelle, van 1994 tot 2006. Hij was er ook graag gezien. Hij ging elke dag op bezoek bij zijn “oude menskes”. Hij was toen zelf al een tachtig-plusser! Ook was hij graag gezien bij zijn familie.Hij hield met hen nauw contact, dankbaar dat zijn moeder hem had laten gaan en dankbaar dat hij voor hen ook Nonkel Pater mocht zijn. Vanaf 2006 ging hij op rust in het missiehuis van Rumbeke.

In 2016 verhuisde hij naar ons missiehuis van Torhout, omdat hij meer en meer zorg nodig had. Hij had soms last van ademnood en zijn derde pacemaker draaide overuren. Hij zei soms: “Ons Here heeft mij vergeten!” en ook nog: “Ik kijk ernaar uit om mijn veel te vroeg gestorven vader en mijn broer te leren kennen in de hemel.” Een goede maand geleden, op 3 juni van dit jaar, heeft hij nog zijn 99ste verjaardag kunnen vieren. Zijn hart en zijn adem waren op, maar hij is tot het einde toe bewust gebleven. Hij is in de gemeenschap van Torhout plots, maar niet onverwacht, overleden op zondag 30 juni, even voor de middag.

Johan VERBEKE en Werner LESAGE